F42.8
CLASSIFICATIECRITERIA
AEen persisterende moeite om bezittingen weg te doen of er afstand van te nemen, ongeacht de werkelijke waarde.
Het is normaal om voorwerpen te willen bewaren die een gevoels- of financiële waarde vertegenwoordigen. Bij de verzamelstoornis lijkt de moeite die betrokkenen hebben met het afstand doen van bezittingen gedreven door de angst om belangrijke dingen kwijt te raken. Criterium A verwijst naar het belangrijkste kenmerk, namelijk moeite hebben om bezittingen weg te doen. De formulering ‘weg te doen of er afstand van te nemen’ is bedoeld om duidelijk te maken dat het probleem zich niet beperkt tot het weggooien van dingen, maar dat het gaat om elke poging om afstand te doen van een bezitting, inclusief weggeven, recyclen of verkopen. De tweede clausule, ‘ongeacht de werkelijke waarde’, onderscheidt deze definitie van die van het verzamelen als symptoom van een obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis in de DSM-IV (nu dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis geheten), waarin het verzamelgedrag was gedefinieerd als ‘niet in staat [zijn] versleten of waardeloze voorwerpen weg te gooien’. Wat als waardeloos of versleten wordt beschouwd, verschilt sterk van persoon tot persoon. De frequentst opgespaarde voorwerpen zijn kledingstukken, kranten en tijdschriften. Veel van deze voorwerpen, vooral kleren, zijn vaak nieuw en nooit gebruikt.
BDeze moeite komt voort uit een sterk gevoelde behoefte om bepaalde voorwerpen te bewaren, en uit de lijdensdruk die gepaard gaat met het wegdoen van deze voorwerpen.
Een centraal kenmerk van de verzamelstoornis is de noodzaak om bezittingen te bewaren. De rommel die daarvan het gevolg is, is te wijten aan het doelgerichte bewaren en het geen afstand willen doen van voorwerpen omdat ze sentimentele waarde hebben, potentieel bruikbaar zijn of een intrinsieke esthetische waarde vertegenwoordigen. De aard van de emotionele gehechtheid wordt gereflecteerd in de reactie van de betrokkene op het wegdoen van een bezitting; de emotie die wordt ervaren is ofwel angst ofwel verdriet over het verlies. Hierbij hoort de neiging om mensachtige kwaliteiten toe te kennen aan bezittingen. Een andere vorm van emotionele gehechtheid betreft gevoelens van troost en veiligheid die de bezittingen oproepen. De gedachte aan het wegdoen van een bezitting lijkt het gevoel van veiligheid te schenden.
CDe moeite om bezittingen weg te doen leidt tot de verzameling van een grote hoeveelheid bezittingen die in de weg staan en voor zo veel rommel zorgen dat de woonruimtes nauwelijks voor hun eigenlijke functie kunnen worden benut. Als er ruimtes zijn opgeruimd, is dat alleen dankzij de tussenkomst van derden (zoals een familielid, schoonmaker of instantie).
Het belangrijkste gevolg van het verzamelen is een ongeorganiseerde rommel, waarover gezinsleden en vrienden zich grote zorgen maken. Rommel maakt een ruimte onbruikbaar of onhygiënisch, en kan het bijna onmogelijk maken om belangrijke voorwerpen terug te vinden. Dit criterium benadrukt dat het gaat om de woon- en werkruimtes van het huis, en niet om ruimtes als zolders, kelders of garages, die soms ook rommelig zijn in de huizen van mensen zonder verzamelstoornis. In sommige gevallen houden gezinsleden de leefruimtes vrij van rommel, en in zulke gevallen kan de betrokkene nog steeds een classificatie verzamelstoornis toegekend krijgen wanneer het verzamelgedrag aanzienlijke lijdensdruk of beperkingen veroorzaakt.
DHet verzamelen veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (waaronder de instandhouding van een veilige omgeving voor zichzelf en anderen).
De lijdensdruk die mensen die overmatig verzamelen ervaren, is grotendeels te wijten aan de gevolgen van het gedrag, zoals conflicten met gezinsleden over de rommel, en is niet het gevolg van de gedachten of het gedrag zelf. Uit onderzoek blijkt dat er beperkingen zijn in het functioneren in verschillende domeinen. Mensen zijn vaak niet in staat om leefruimtes in het huis effectief te gebruiken, en in ernstige gevallen werken apparaten niet en worden nutsvoorzieningen zoals water en elektriciteit afgesloten. Overmatig verzamelen vormt een ernstig risico voor de volksgezondheid (bijvoorbeeld brandgevaar of insectenplagen) en leidt tot hoge kosten voor de gemeenschap in de vorm van betrokkenheid van hulpverleners.
EHet verzamelen kan niet worden toegeschreven aan een somatische aandoening (zoals hersenbeschadiging, cerebrovasculaire aandoeningen of het syndroom van Prader-Willi).
Verschillende somatische aandoeningen kunnen leiden tot rommel en moeite met afstand doen van bezittingen. Zo komt verzamelgedrag voor bij mensen met laesies in de ventromediale prefrontale cortex en de cingulaire cortex. Ook veel mensen met het syndroom van Prader-Willi (een zeldzame genetische stoornis die samenhangt met een geringe lengte, hyperfagie, onverzadigbaarheid en voedselzoekend gedrag) vertonen verzamelgedrag, meestal met betrekking tot voedsel, maar ook met niet-eetbare voorwerpen.
FHet verzamelen kan niet beter worden verklaard door de symptomen van een andere psychische stoornis (zoals obsessies bij een obsessieve-compulsieve stoornis, afgenomen energie bij een depressieve stoornis, wanen bij schizofrenie of een andere psychotische stoornis, cognitieve deficiëntie bij een neurocognitieve stoornis, of beperkte interesses bij een autismespectrumstoornis).
Bij sommige mensen hangt het verzamelen samen met OCS, een gegeneraliseerde-angststoornis of depressieve stoornis in plaats van met een afzonderlijke verzamelstoornis. Deze stoornissen moeten daarom worden uitgesloten. Verzamelgedrag kan ook optreden bij mensen met ernstige dementie; het verzamelen bij dementie vloeit echter voort uit een significante cognitieve achteruitgang in plaats van uit een overmatige gehechtheid aan voorwerpen. Overmatig verzamelen wordt ook beschreven bij geïnstitutionaliseerde patiënten met schizofrenie, maar hun gedrag lijkt niet gemotiveerd door een werkelijke gehechtheid aan voorwerpen. De stoornis die het meest samenhangt met verzamelen is OCS; ongeveer 20% van de mensen met OCS heeft verzamelsymptomen. In gevallen waarin het verzamelgedrag ondergeschikt lijkt aan meer klassieke OCS-symptomen, zoals de angst voor besmetting, is de classificatie verzamelstoornis niet passend.
→Specificeer indien:
Met excessief verwerven Wanneer de moeite om bezittingen weg te doen gepaard gaat met het overmatig verwerven van voorwerpen die de betrokkene niet nodig heeft, of waar hij of zij geen ruimte voor heeft.
In de DSM-5 is de specificatie ‘met excessief verwerven’ opgenomen. Mensen met verzamelgedrag hebben de neiging om een groot aantal ‘voorhet-geval-dat’-dingen te kopen en met zich mee te dragen, en uit onderzoek blijkt dat excessief verwerven voorkomt in het kader van de verzamelstoornis. Ook het verwerven van gratis voorwerpen lijkt overmatig te zijn. Stelen is een andere vorm van excessief verwerven in relatie tot verzamelen. Hoewel slechts een klein percentage van de mensen met de verzamelstoornis steelt, komt kleptomanie geregeld voor (10%). Excessief verwerven is niet opgenomen in de classificatiecriteria, omdat een klein percentage (10 tot 15%) van de mensen die verzamelen meldt dat ze niet excessief verwerven.
Er zijn ook inzichtspecificaties beschikbaar, die vergelijkbaar zijn met die voor OCS. Wanneer de stoornis ernstig is, kan het verzamelen waanachtige proporties aannemen. Clinici oordelen over het algemeen dat mensen met de verzamelstoornis in vergelijking met mensen met OCS vaker een ontbrekend of gering realiteitsbesef hebben. Soms wordt de term ‘gering realiteitsbesef’ echter verward met de overwaardige denkbeelden van de patiënt, hetgeen verwijst naar het vasthouden aan een denkbeeld ondanks dat er bewijs is van het tegendeel. In het kader van de verzamelstoornis betreffen de overwaardige denkbeelden de opvattingen van de betrokkene over de waarde of bruikbaarheid van zijn of haar bezittingen. Veel mensen met de verzamelstoornis erkennen dat hun gedrag problematisch is, maar hun onredelijke ideeën over de waarde van hun bezittingen maken het voor hen onmogelijk om zich ervan te ontdoen. Dit kan op een waarnemer overkomen als een gebrek aan realiteitsbesef, maar in werkelijkheid kunnen deze opvattingen over de waarde en het nut van bezittingen onderdeel van de stoornis zijn.
→Specificeer indien:
Met goed of redelijk realiteitsbesef De betrokkene erkent dat zijn of haar opvattingen en handelingen wat betreft het verzamelen (moeite om voorwerpen weg te doen, rommel maken, of overmatig verwerven) een probleem vormen.
Met gering realiteitsbesef De betrokkene gaat er grotendeels van uit dat zijn of haar opvattingen en handelingen wat betreft het verzamelen (moeite om voorwerpen weg te doen, rommel maken, of overmatig verwerven) geen probleem vormen, ondanks het bewijs dat dit wel zo is.
Met ontbrekend realiteitsbesef /paranoïsche overtuigingen De betrokkene is er volledig van overtuigd dat zijn of haar opvattingen en handelingen wat betreft het verzamelen (moeite om voorwerpen weg te doen, rommel maken, of overmatig verwerven) niet problematisch zijn, ondanks het bewijs dat dit wel zo is.