Somatische aandoeningen De classificatie ver­za­mel­stoor­nis wordt niet toegekend wanneer wordt geoordeeld dat de symptomen een direct gevolg zijn van een somatische aandoening (criterium E), zoals hersenletsel, chirurgische behandeling van een tumor of van epilepsie, ce­re­bro­vas­cu­lai­re aandoeningen, infectie van het centrale zenuwstelsel (bijvoorbeeld her­pes­sim­plexen­ce­fa­li­tis) of neurogenetische aandoeningen zoals het syndroom van Prader-Willi. Vooral beschadigingen van de cortex ventromedialis prefrontalis en de cortex cingularis anterior zijn gerelateerd aan het overmatig verzamelen van voorwerpen. Bij deze mensen is er voordat het hersenletsel zich voordoet nog geen sprake van verzamelgedrag en begint dit kort nadat er hersenletsel is opgetreden. Sommigen van deze betrokkenen lijken maar weinig interesse te hebben in de verzamelde spullen en kunnen er gemakkelijk afstand van doen of vinden het niet erg als anderen ze wegdoen, maar anderen lijken erg onwillig om ook maar ergens afstand van te doen.

Neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen De classificatie ver­za­mel­stoor­nis wordt niet toegekend wanneer wordt geoordeeld dat het verzamelen van voorwerpen een direct gevolg is van een neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis zoals een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis of een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis (verstandelijke beperking).

Schi­zo­fre­nies­pec­trum- en andere psychotische stoornissen De classificatie ver­za­mel­stoor­nis wordt niet toegekend wanneer men van oordeel is dat het verzamelen van voorwerpen een direct gevolg is van wanen of negatieve symptomen van schi­zo­fre­nies­pec­trum- en andere psychotische stoornissen.

Depressieve episode De classificatie ver­za­mel­stoor­nis wordt niet toegekend wanneer wordt geoordeeld dat het verzamelen van voorwerpen een direct gevolg is van psy­cho­mo­to­ri­sche vertraging, vermoeidheid of energieverlies tijdens een depressieve episode.

Obsessieve-compulsieve stoornis De classificatie ver­za­mel­stoor­nis wordt niet toegekend wanneer wordt geoordeeld dat het verzamelen van voorwerpen een direct gevolg is van de typerende obsessies en compulsies bij een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS), zoals de vrees voor besmetting of onheil, of een gevoel van onvolledigheid. Gevoelens van onvolledigheid (zoals verlies van identiteit, of de behoefte alle le­vens­er­va­rin­gen te documenteren en te bewaren) zijn de meest voorkomende OCS-symptomen die samengaan met deze vorm van verzamelen. Het verzamelen van voorwerpen kan ook het gevolg zijn van het aanhoudend uit de weg gaan van belastende rituelen (geen voorwerpen wegdoen om de eindeloze was- en con­tro­le­ri­tu­e­len maar te kunnen vermijden). Bij OCS is het gedrag doorgaans ongewild; de betrokkene lijdt hier ernstig onder en ervaart als gevolg van zijn of haar gedrag geen voldoening of beloning. Er is meestal geen sprake van overmatig verwerven en als dat wel zo is, worden de voorwerpen verzameld vanwege specifieke obsessies (zoals de noodzaak om de dingen te kopen die de betrokkene per ongeluk heeft aangeraakt, om te voorkomen dat iemand ermee wordt besmet), en niet omdat de betrokkene de voorwerpen echt wil bezitten. Mensen die binnen het kader van OCS verzamelen, zijn daarnaast meer geneigd om bizarre voorwerpen te vergaren zoals feces, urine, afgeknipte vinger- en teennagels, haar, gebruikte luiers of bedorven voedsel. Bij een ver­za­mel­stoor­nis is het verzamelen van dat soort voorwerpen erg ongebruikelijk. Wanneer er sprake is van ernstig verzamelen naast andere typische verschijnselen van OCS, maar men van oordeel is dat dit zich onafhankelijk van deze symptomen voordoet, kunnen de classificaties ver­za­mel­stoor­nis en OCS beide worden toegekend.

Neurocognitieve stoornissen De classificatie ver­za­mel­stoor­nis wordt niet toegekend wanneer wordt geoordeeld dat het verzamelen van voorwerpen een direct gevolg is van een degeneratieve aandoening zoals een neurocognitieve stoornis samengaand met een frontotemporale dementie of de ziekte van Alzheimer. Doorgaans begint het verzamelgedrag geleidelijk na het begin van een neurocognitieve stoornis. Het verzamelgedrag kan gepaard gaan met zelf­ver­waar­lo­zing en een ernstig vervuilde woning, naast andere neu­ro­psy­chi­a­tri­sche symptomen, zoals ongeremdheid, gokken, rituelen of stereotypieën, tics en automutilatie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.