De prevalentie van de somatisch-symp­toom­stoor­nis is onduidelijk. Schattingen over de prevalentie komen uit de beperkte epi­de­mi­o­lo­gi­sche literatuur over somatoforme stoornissen volgens de DSM-IV-TR. Wel wordt verwacht dat de prevalentie hoger is dan die van de meer beperkte so­ma­ti­sa­tie­stoor­nis in de DSM-IV-TR (< 1%), maar lager dan die van de on­ge­dif­fe­ren­ti­eer­de somatoforme stoornis (ongeveer 19%). Meer recente onderzoeken onder de algemene bevolking, waarbij via vragenlijsten gebaseerd op de DSM-5-criteria voor de somatisch-symp­toom­stoor­nis de prevalentie van deze stoornis in steekproeven van volwassenen en adolescenten is gemeten, rapporteren percentages van 6,7 tot 17,4%. Op basis van onderzoek uitgevoerd in Europa en Noord-Amerika kan de prevalentie van de somatisch-symp­toom­stoor­nis in de algemene volwassen populatie worden geschat op 4 tot 6%.

De somatisch-symp­toom­stoor­nis komt vaker voor bij patiënten in de eerstelijnszorg dan bij de algemene bevolking. Op basis van reviews en meta-analyses van onderzoeken uit meerdere landen, waarbij gebruik is gemaakt van de DSM-IV- of ICD-10-criteria, lijkt het aannemelijk dat de 12-maand­spre­va­len­tie van somatisch-symptoom- en verwante stoornisssen bij patiënten in de eerstelijnszorg tussen 10 en 20% ligt. In be­han­dels­et­tings die gespecialiseerd zijn in de behandeling van mensen met psy­cho­so­ma­ti­sche of functionele stoornissen, komt de somatisch-symp­toom­stoor­nis vaker voor: de prevalentie ligt daar tussen 40 en 60%. Vrouwen rapporteren doorgaans meer somatische symptomen dan mannen, en de prevalentie van de somatisch-symp­toom­stoor­nis is daarom bij vrouwen waarschijnlijk hoger.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.