Temperament Kinderen met chronische prikkelbaarheid hebben doorgaans een complexe psychiatrische voorgeschiedenis. Deze kinderen hebben doorgaans een relatief uitgebreide voorgeschiedenis met chronische prikkelbaarheid, die zich meestal al heeft geopenbaard voordat volledig aan de criteria voor het syndroom werd voldaan. Dergelijke voorstadia kunnen voldoen aan de criteria voor de oppositionele-opstandige stoornis. Veel kinderen met een disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis hebben symptomen die ook voldoen aan de criteria voor de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD) en voor een angststoornis, en dergelijke classificaties zijn vaak al op relatief jonge leeftijd toegekend. De symptomen van sommige kinderen kunnen ook voldoen aan de criteria voor de depressieve stoornis.
Omgeving Kenmerkende gedragingen bij de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis hangen samen met factoren als een verstoord gezinsleven, zoals psychische mishandeling of verwaarlozing, psychische stoornissen bij de ouder(s), een laag opleidingsniveau van de ouder(s), eenoudergezin, eerder opgelopen psychotrauma, overlijden van een ouder, rouw bij de ouder(s), echtscheiding en ondervoeding (bijvoorbeeld vitaminetekort).
Genetica en fysiologie Uit onderzoek komt naar voren dat een familiegeschiedenis van depressiviteit een risicofactor kan zijn voor de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis. Gegevens uit tweelingonderzoek duiden er eveneens op dat de samenhang tussen prikkelbaarheid op jonge leeftijd en depressiviteit en angst later in het leven, gedeeltelijk door genetische factoren wordt bepaald. In vergelijking met kinderen met een bipolaire-stemmingsstoornis of andere psychische stoornissen in de kindertijd, vertonen kinderen met een disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis zowel overeenkomsten als verschillen op het gebied van informatieverwerkingsproblematiek. Kinderen met een bipolaire-stemmingsstoornis hebben bijvoorbeeld, net als kinderen met een disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis, moeite met het benoemen van emotionele gezichtsuitdrukkingen, en ook problemen met besluitvorming en cognitieve beheersing. Het is echter van belang om te benoemen dat eenzelfde gedragsbeperking kan samenhangen met verschillende patronen van neurale disfunctie. Er zijn ook aanwijzingen voor stoornisspecifieke disfuncties, zoals bij taken waarbij de aandachtspanne in reactie op emotionele prikkels wordt beoordeeld, waarbij er aanwijzingen zijn voor unieke disfuncties bij kinderen met chronische prikkelbaarheid.