Disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis

Disruptive mood dysregulation disorder

F38.8

CLASSIFICATIECRITERIA

AErnstige recidiverende woede-uitbarstingen die zich verbaal (verbale agressie) en/of in het gedrag (fysieke agressie jegens personen of eigendommen) manifesteren en die wat intensiteit of duur betreft in grove mate dis­pro­por­ti­o­neel zijn ten opzichte van de situatie of de aanleiding.

Criterium A schrijft voor dat de betrokkene ernstige recidiverende woede-uitbarstingen heeft ‘die wat intensiteit of duur betreft in grove mate dis­pro­por­ti­o­neel zijn ten opzichte van de situatie of de aanleiding’. Omdat bijna alle kinderen driftbuien hebben, is dit criterium nodig om gewone driftbuien te onderscheiden van woede-uitbarstingen die opmerkelijk zijn wat betreft hun ernst en frequentie. Bovendien zijn de uitbarstingen bui­ten­pro­por­ti­o­neel, en zouden de meeste ouders deze zien als een signaal dat het kind zich niet in de hand heeft. De woede-uitbarstingen manifesteren zich ook mondeling en/of gedragsmatig, zoals bij een driftbui, en komen volgens criterium B niet overeen met het ont­wik­ke­lings­ni­veau van het kind (bijvoorbeeld als een 5-jarige zich als een 2-jarige met kenmerkende driftbuien gedraagt).

BDe woede-uitbarstingen komen niet overeen met het ont­wik­ke­lings­ni­veau.

Criterium A schrijft voor dat de betrokkene ernstige recidiverende woede-uitbarstingen heeft ‘die wat intensiteit of duur betreft in grove mate dis­pro­por­ti­o­neel zijn ten opzichte van de situatie of de aanleiding’. Omdat bijna alle kinderen driftbuien hebben, is dit criterium nodig om gewone driftbuien te onderscheiden van woede-uitbarstingen die opmerkelijk zijn wat betreft hun ernst en frequentie. Bovendien zijn de uitbarstingen bui­ten­pro­por­ti­o­neel, en zouden de meeste ouders deze zien als een signaal dat het kind zich niet in de hand heeft. De woede-uitbarstingen manifesteren zich ook mondeling en/of gedragsmatig, zoals bij een driftbui, en komen volgens criterium B niet overeen met het ont­wik­ke­lings­ni­veau van het kind (bijvoorbeeld als een 5-jarige zich als een 2-jarige met kenmerkende driftbuien gedraagt).

CDe woede-uitbarstingen treden gemiddeld drie keer of vaker per week op.

Het vereiste dat de woede-uitbarstingen zich drie of meer keer per week moeten voordoen is enigszins willekeurig, maar het gaat erom dat ze regelmatig en met een bepaalde frequentie optreden. Tussen de uitbarstingen is de stemming van het kind persisterend prikkelbaar of boos ‘gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag’. Met andere woorden: de symptomen kunnen niet beschouwd worden als slechts een voorbijgaande fase.

Deze symptomen zijn sinds één jaar of langer aanwezig, waarbij het kind nooit gedurende minstens drie opeenvolgende maanden geheel vrij is geweest van de in criterium A tot en met D genoemde symptomen. Criterium E geeft ook aan dat de symptomen geen tijdelijke fase ver­te­gen­woor­di­gen, maar pervasief en chronisch zijn.

DDe stemming tussen de woede-uitbarstingen is persisterend prikkelbaar of boos, gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag, en dit is door anderen waarneembaar (bijvoorbeeld ouders, leerkrachten, leeftijdgenoten).

Het vereiste dat de woede-uitbarstingen zich drie of meer keer per week moeten voordoen is enigszins willekeurig, maar het gaat erom dat ze regelmatig en met een bepaalde frequentie optreden. Tussen de uitbarstingen is de stemming van het kind persisterend prikkelbaar of boos ‘gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag’. Met andere woorden: de symptomen kunnen niet beschouwd worden als slechts een voorbijgaande fase.

Deze symptomen zijn sinds één jaar of langer aanwezig, waarbij het kind nooit gedurende minstens drie opeenvolgende maanden geheel vrij is geweest van de in criterium A tot en met D genoemde symptomen. Criterium E geeft ook aan dat de symptomen geen tijdelijke fase ver­te­gen­woor­di­gen, maar pervasief en chronisch zijn.

ECriteria A–D zijn sinds één jaar of langer aanwezig. In die periode is de betrokkene nooit gedurende drie of meer ach­ter­een­vol­gen­de maanden geheel vrij geweest van de symptomen in criterium A–D.

Het vereiste dat de woede-uitbarstingen zich drie of meer keer per week moeten voordoen is enigszins willekeurig, maar het gaat erom dat ze regelmatig en met een bepaalde frequentie optreden. Tussen de uitbarstingen is de stemming van het kind persisterend prikkelbaar of boos ‘gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag’. Met andere woorden: de symptomen kunnen niet beschouwd worden als slechts een voorbijgaande fase.

Deze symptomen zijn sinds één jaar of langer aanwezig, waarbij het kind nooit gedurende minstens drie opeenvolgende maanden geheel vrij is geweest van de in criterium A tot en met D genoemde symptomen. Criterium E geeft ook aan dat de symptomen geen tijdelijke fase ver­te­gen­woor­di­gen, maar pervasief en chronisch zijn.

FDe symptomen in criteria A en D zijn in minstens twee van de drie settings aanwezig (dat wil zeggen: thuis, op school of in contact met leeftijdgenoten) en zijn in minstens één van deze settings ernstig.

De symptomen zijn in minstens twee settings aanwezig, zoals thuis en op school. Sommige kinderen lijken de symptomen te kunnen in- en uitschakelen, en dit criterium onderscheidt deze kinderen van degenen die waarschijnlijk minder goed in staat zijn om zichzelf te beheersen.

GDe classificatie dient niet voor de eerste maal vóór de 6-jarige leeftijd of na de 18-jarige leeftijd te worden toegekend.

Deze classificatie dient niet voor het eerst toegekend te worden voordat het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt, en evenmin voor het eerst na de leeftijd van 18 jaar (criterium G). Dit criterium helpt om vast te stellen dat de woede-uitbarstingen niet zijn toe te schrijven aan een neurobiologisch syndroom, waarbij de symptomen waarschijnlijk eerder zouden beginnen, en ook niet aan het wangedrag van een volwassene met een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, die niet kan worden geclassificeerd bij mensen jonger dan 18 jaar.

De symptomen beginnen voor de leeftijd van 10 jaar (criterium H). Dit criterium helpt nogmaals te voorkomen dat de clinicus ten onrechte een bipolaire-stem­mings­stoor­nis vaststelt, die over het algemeen pas tijdens of na de adolescentie begint.

HOp basis van de anamnese of door observatie kan worden vastgesteld dat criteria A–E voor de 10-jarige leeftijd zijn begonnen.

Deze classificatie dient niet voor het eerst toegekend te worden voordat het kind de leeftijd van 6 jaar bereikt, en evenmin voor het eerst na de leeftijd van 18 jaar (criterium G). Dit criterium helpt om vast te stellen dat de woede-uitbarstingen niet zijn toe te schrijven aan een neurobiologisch syndroom, waarbij de symptomen waarschijnlijk eerder zouden beginnen, en ook niet aan het wangedrag van een volwassene met een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, die niet kan worden geclassificeerd bij mensen jonger dan 18 jaar.

De symptomen beginnen voor de leeftijd van 10 jaar (criterium H). Dit criterium helpt nogmaals te voorkomen dat de clinicus ten onrechte een bipolaire-stem­mings­stoor­nis vaststelt, die over het algemeen pas tijdens of na de adolescentie begint.

IEr heeft zich nooit een duidelijke periode van meer dan één dag voorgedaan waarin de symptomen volledig hebben voldaan aan de criteria voor een manische of hypomanische episode, met uitzondering van de duur.
NB Een stem­mings­ver­ho­ging die gepast is voor het ont­wik­ke­lings­ni­veau, zoals die zich kan voordoen tijdens een uiterst positieve gebeurtenis of tijdens de voorpret die daaraan voorafgaat, mag niet worden beschouwd als een symptoom van manie of hypomanie.

Criterium I is van nut om de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis te onderscheiden van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis door het uitsluiten van mensen die langer dan één dag symptomen hebben die volledig voldoen aan de criteria voor een manische of hypomanische episode. In een noot erkent dit criterium ook dat sommige bij de ontwikkeling passende episoden van stem­mings­ver­ho­ging kunnen optreden in het kader van een uiterst positieve gebeurtenis of de voorpret daarover (bijvoorbeeld een ver­jaar­dags­feest­je of een bezoek aan een pretpark) en niet verward mogen worden met een bipolaire-stem­mings­stoor­nis.

Criteria J en K stellen dat de woede-uitbarstingen niet uitsluitend mogen optreden tijdens een depressieve episode en niet beter verklaard kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis), en dat de symptomen niet zijn toe te schrijven aan de fysiologische effecten van een middel of een somatische of neurologische aandoening.

Verder wordt opgemerkt dat de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis niet comorbide kan voorkomen met de oppositionele-opstandige stoornis, de periodiek explosieve stoornis of een bipolaire-stem­mings­stoor­nis. Aan de andere kant kan deze wel samengaan met andere psychische stoornissen, zoals de depressieve stoornis, de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis, de nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis en stoornissen in het gebruik van een middel.

Als de symptomen van het kind voldoen aan criteria voor zowel de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis als de oppositionele-opstandige stoornis, dient alleen de eerste classificatie te worden toegekend. Uit onderzoek blijkt dat de meeste kinderen met een disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis ook een beeld vertonen dat aan de criteria voor de oppositionele-opstandige stoornis voldoet, maar het omgekeerde is niet waar. Slechts ongeveer 15% van de kinderen met de oppositionele-opstandige stoornis heeft symptomen die ook aan de criteria voor de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis voldoen.

JHet gedrag doet zich niet uitsluitend voor tijdens een episode van de depressieve stoornis en kan niet worden verklaard door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis, post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis, se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis of persisterende depressieve stoornis).
NB De classificatie kan niet gelijktijdig worden toegekend met een oppositionele-opstandige stoornis, een periodiek explosieve stoornis of een bipolaire-stem­mings­stoor­nis, maar kan wel samengaan met andere classificaties, zoals een depressieve stoornis, een aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis, een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis en stoornissen in het gebruik van een middel. Bij mensen van wie de symptomen voldoen aan de criteria voor zowel de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis als de op­po­si­ti­o­ne­le­op­stan­di­ge stoornis, dient alleen de classificatie disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis toegekend te worden. Als iemand ooit een manische of hypomanische episode heeft doorgemaakt, mag de classificatie disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis niet worden toegekend.

Criterium I is van nut om de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis te onderscheiden van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis door het uitsluiten van mensen die langer dan één dag symptomen hebben die volledig voldoen aan de criteria voor een manische of hypomanische episode. In een noot erkent dit criterium ook dat sommige bij de ontwikkeling passende episoden van stem­mings­ver­ho­ging kunnen optreden in het kader van een uiterst positieve gebeurtenis of de voorpret daarover (bijvoorbeeld een ver­jaar­dags­feest­je of een bezoek aan een pretpark) en niet verward mogen worden met een bipolaire-stem­mings­stoor­nis.

Criteria J en K stellen dat de woede-uitbarstingen niet uitsluitend mogen optreden tijdens een depressieve episode en niet beter verklaard kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis), en dat de symptomen niet zijn toe te schrijven aan de fysiologische effecten van een middel of een somatische of neurologische aandoening.

Verder wordt opgemerkt dat de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis niet comorbide kan voorkomen met de oppositionele-opstandige stoornis, de periodiek explosieve stoornis of een bipolaire-stem­mings­stoor­nis. Aan de andere kant kan deze wel samengaan met andere psychische stoornissen, zoals de depressieve stoornis, de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis, de nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis en stoornissen in het gebruik van een middel.

Als de symptomen van het kind voldoen aan criteria voor zowel de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis als de oppositionele-opstandige stoornis, dient alleen de eerste classificatie te worden toegekend. Uit onderzoek blijkt dat de meeste kinderen met een disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis ook een beeld vertonen dat aan de criteria voor de oppositionele-opstandige stoornis voldoet, maar het omgekeerde is niet waar. Slechts ongeveer 15% van de kinderen met de oppositionele-opstandige stoornis heeft symptomen die ook aan de criteria voor de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis voldoen.

KDe symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel of aan een neurologische of andere somatische aandoening.

Criterium I is van nut om de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis te onderscheiden van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis door het uitsluiten van mensen die langer dan één dag symptomen hebben die volledig voldoen aan de criteria voor een manische of hypomanische episode. In een noot erkent dit criterium ook dat sommige bij de ontwikkeling passende episoden van stem­mings­ver­ho­ging kunnen optreden in het kader van een uiterst positieve gebeurtenis of de voorpret daarover (bijvoorbeeld een ver­jaar­dags­feest­je of een bezoek aan een pretpark) en niet verward mogen worden met een bipolaire-stem­mings­stoor­nis.

Criteria J en K stellen dat de woede-uitbarstingen niet uitsluitend mogen optreden tijdens een depressieve episode en niet beter verklaard kunnen worden door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis), en dat de symptomen niet zijn toe te schrijven aan de fysiologische effecten van een middel of een somatische of neurologische aandoening.

Verder wordt opgemerkt dat de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis niet comorbide kan voorkomen met de oppositionele-opstandige stoornis, de periodiek explosieve stoornis of een bipolaire-stem­mings­stoor­nis. Aan de andere kant kan deze wel samengaan met andere psychische stoornissen, zoals de depressieve stoornis, de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis, de nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis en stoornissen in het gebruik van een middel.

Als de symptomen van het kind voldoen aan criteria voor zowel de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis als de oppositionele-opstandige stoornis, dient alleen de eerste classificatie te worden toegekend. Uit onderzoek blijkt dat de meeste kinderen met een disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis ook een beeld vertonen dat aan de criteria voor de oppositionele-opstandige stoornis voldoet, maar het omgekeerde is niet waar. Slechts ongeveer 15% van de kinderen met de oppositionele-opstandige stoornis heeft symptomen die ook aan de criteria voor de disruptieve stem­mings­dis­re­gu­la­tie­stoor­nis voldoen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.