Temperament ADHD hangt samen met een verminderde gedragsinhibitie en een verminderd vermogen tot aandachts- en gedragsregulatie (effortful control); een negatieve emotionaliteit; en/of een verhoogde prikkelbehoefte (novelty seeking). Deze eigenschappen kunnen iemand vatbaar maken voor ADHD, maar ze zijn niet kenmerkend voor de stoornis.
Omgevingsfactoren Een heel laag geboortegewicht en prematuriteit vergroten het risico op ADHD; hoe extremer het lage geboortegewicht, hoe groter het risico. ADHD is gecorreleerd met roken tijdens de zwangerschap, zelfs na correctie voor een psychiatrische voorgeschiedenis van de ouders en de sociaaleconomische status. Een minderheid van de gevallen kan samenhangen met reacties op aspecten van het dieet. Er zijn correlaties gevonden tussen later ontstane ADHD en blootstelling aan neurotoxinen (bijvoorbeeld lood), infecties (zoals encefalitis) en blootstelling in utero aan alcohol, maar het is niet bekend of het om oorzakelijke verbanden gaat.
Genetica en fysiologie De heritabiliteit van ADHD is ongeveer 74%. In genoombrede associatieonderzoeken (genome-wide association studies, GWAS) zijn enkele loci geïdentificeerd in delen van het genoom die evolutionair relatief weinig zijn veranderd en meer loss of function-allelen bevatten, alsmede regulatoire regio’s die de expressie van genen in de hersenen bepalen. Er bestaat geen afzonderlijk gen voor ADHD. Visus- en gehoorproblemen, stofwisselingsafwijkingen en tekorten aan voedingsstoffen moeten meegewogen worden als mogelijke invloeden op ADHD-symptomen. ADHD komt vaker voor bij mensen met idiopathische epilepsie.
Factoren die het beloop beïnvloeden Interactiepatronen in het gezin in de vroege kindertijd zijn geen waarschijnlijke oorzaak van ADHD, maar kunnen het beloop beïnvloeden, of bijdragen aan een secundaire ontwikkeling van gedragsproblemen.