Verschillen in de prevalentie van ADHD tussen regio’s kunnen waarschijnlijk voornamelijk worden toegeschreven aan verschillen in de diagnostische procedures en methodologische werkwijzen, inclusief verschillen in het diagnostisch onderzoek, in hoeverre er sprake moet zijn van functionele beperkingen en, zo ja, hoe deze zijn gedefinieerd. De prevalentie wordt ook beinvloed door de culturele variatie in attituden ten opzichte van gedragsnormen en verwachtingen van kinderen en jongeren in verschillende sociale contexten, en door culturele verschillen in de interpretaties van het gedrag van kinderen door ouders en leerkrachten, waaronder verschillen naar geslacht. Het percentage klinisch vastgestelde gevallen in de Verenigde Staten in de Afro-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse populaties is lager dan in de witte populatie. Dat ADHD te weinig wordt gedetecteerd is mogelijk een gevolg van het verkeerd labelen van ADHD-klachten als oppositioneel of disruptief bij mensen uit sociaal onderdrukte etnische of geracialiseerde groepen, als gevolg van een expliciete of impliciete bias van clinici, wat leidt tot over­di­a­gnos­ti­ce­ring van disruptieve stoornissen. De hogere prevalentie onder de witte populatie kan ook zijn ontstaan doordat deze ouders vaker om diagnostiek vragen bij klachten die ADHD-gerelateerd zijn. De symp­toom­be­oor­de­lin­gen door informanten kunnen beïnvloed worden door de culturele achtergrond waartoe het kind en de informant behoren, hetgeen betekent dat het belangrijk is om bij diagnostisch onderzoek naar ADHD cul­tuur­sen­si­tief te zijn.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.