Het hoofdkenmerk van de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis (ADHD) is een aanhoudend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit die het functioneren of de ontwikkeling belemmert. Onoplettendheid is bij ADHD op de volgende manieren in het gedrag zichtbaar: afdwalen van taken, instructies niet (helemaal) kunnen opvolgen, moeite om de aandacht ergens bij te houden en on­ge­struc­tu­reerd te werk gaan; dit wordt niet veroorzaakt door opstandigheid of een gebrek aan inzicht. Hyperactiviteit is overmatige motorische activiteit (zoals een kind dat voortdurend rondrent) op een moment dat het niet gepast is, of excessief veel friemelen, tikken met de voeten of praten. Bij volwassenen kan hyperactiviteit zich uiten in een extreme rusteloosheid of doordat anderen uitgeput raken van de voortdurende activiteit van de betrokkene. Impulsiviteit betekent dat overhaaste handelingen uitgevoerd worden zonder erbij na te denken, waarbij mogelijk kans op letsel of schade bestaat (bijvoorbeeld zonder uitkijken de straat op schieten). Impulsiviteit kan een uiting zijn van verlangen naar een onmiddellijke beloning, of van onvermogen om een beloning uit te stellen. Impulsief gedrag kan de vorm aannemen van sociale opdringerigheid (de betrokkene onderbreekt bijvoorbeeld voortdurend anderen) en/of ondoordachte besluiten nemen zonder bij de lan­ge­ter­mijn­ge­vol­gen stil te staan (bijvoorbeeld een baan aannemen zonder eerst voldoende informatie in te winnen).

ADHD begint in de kindertijd. De eis dat verschillende symptomen voor het 12de levensjaar aanwezig zijn, geeft het belang aan van een substantieel klinisch beeld in de kindertijd. Tegelijkertijd wordt er geen jongere leeftijd genoemd, omdat het lastig kan zijn om achteraf vast te stellen wanneer de symptomen zich precies voor het eerst voordeden. Meestal zijn de herinneringen van volwassenen over symptomen in hun kindertijd weinig betrouwbaar en is het verstandig om aanvullende informatie in te winnen. De classificatie ADHD kan niet worden toegekend wanneer er voor de 12-jarige leeftijd geen symptomen aanwezig zijn geweest. Wanneer na de leeftijd van 13 jaar symptomen optreden die aan ADHD doen denken, is het waar­schijn­lij­ker dat deze door een andere psychische stoornis kunnen worden verklaard of te wijten zijn aan de cognitieve effecten van middelengebruik.

De stoornis moet zich in meer dan één context voordoen (bijvoorbeeld: behalve thuis ook op school, of thuis en op het werk). Zonder informanten die de betrokkene in verschillende situaties hebben meegemaakt, is het moeilijk om een bevestiging te krijgen van de symptomen in verschillende contexten. Aanwijzingen voor de stoornis zijn soms nauwelijks zichtbaar of afwezig wanneer de betrokkene geregeld beloond wordt voor gepast gedrag, voortdurend onder toezicht staat, zich in een nieuwe situatie bevindt, bezig is met voor hem of haar interessante activiteiten, voortdurend door externe stimuli geprikkeld wordt (bijvoorbeeld via beeldschermen), of in een een-op-eensituatie verkeert (bijvoorbeeld in de werkkamer van de clinicus).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.