De begripvolle, oplettende diagnosticus

De moderne clinicus heeft als taak de wijsheid en bewezen toepassingen uit het verleden te gebruiken en zich intussen voortdurend op de hoogte te stellen van nieuwe bewijzen, en zich daarnaast onophoudelijk in te zetten om de zorg te verbeteren. In de klinische praktijk van het DSM-5-tijdperk is het doel, terecht, verlichting brengen en het welzijn van patiënten verbeteren — in plaats van het ondoordacht vasthouden aan traditionele werkwijzen en kritiekloos tot zich nemen van nieuwe informatie.

Diagnostische nauwkeurigheid hangt voor een groot deel af van de beheersing van het onderwerp (content mastery) (Elstein & Schwartz 2002). Experts zijn accurater dan beginnelingen. Clinici kunnen hun ontwikkeling van beginner tot expert versnellen door studie te combineren met klinische ervaring.

Bij de meeste beroepen in de zorg moeten beginnende clinici eerst een grote hoeveelheid materiaal bestuderen voordat zij in de directe patiëntenzorg mogen beginnen. Dat spreekt voor zich. Zowel door studie als klinische ervaring krijgen mensen meer grip op het onderwerp (content mastery), maar slechts één van beide kan worden bereikt zonder daar patiënten mee te belasten, die mogelijk weinig profijt hebben van de zorg die zij ontvangen van een volslagen beginneling. Dit principe geldt voor alle klinische beroepen. Studie versnelt het klinische ervaringsleren en vult dit aan, en daardoor kunnen clinici een optimale kosten-batenverhouding in de zorg voor hun patiënten bereiken (zie kader 1-1 voor een voorbeeldcasus). Door het zorgvuldig bestuderen van de DSM-classificaties kunnen clinici hun diagnostische nauwkeurigheid vergroten.

KADER 1-1

Psychosociale overwegingen bij het toekennen van een accurate psychiatrische classificatie

Amber is een 16-jarig Amsterdams meisje met een strafblad wegens bezit van cocaïne. Zij komt twee weken na de geboorte van haar baby binnen met een sombere stemming en heeft geen interesse om met haar pasgeboren babydochter te spelen. Ze vertelt dat deze symptomen een week eerder zijn begonnen, nadat ze uit huis is gegaan en in een klein dorpje bij haar tante is gaan wonen. Amber kan naar eigen zeggen goed met haar tante overweg maar ze mist haar vrienden in Amsterdam en vindt het moeilijk om overdag wakker te blijven omdat ze ’s nachts om het uur door haar baby wordt gewekt. Ze heeft moeite om zich op haar schoolwerk (dat ze thuis mag maken) te concentreren en is voortdurend moe. Ze voelt zich schuldig omdat ze niet zoveel voor elkaar krijgt. Op de vraag of zij aan suïcide denkt, zegt ze dat ze er nooit aan zou denken zichzelf iets aan te doen, omdat ‘mijn baby een moeder nodig heeft’. Zodra ze wist dat ze zwanger was, is ze gestopt met alle vormen van drugs, alcohol en roken. De vader van haar kind zit momenteel een straf uit. Amber had besloten haar kind te houden en haar tante staat achter deze beslissing. Tijdens een huisbezoek van de Raad voor de Kin­der­be­scher­ming kreeg ze echter te horen dat ze onder toezicht zal worden gesteld om te beoordelen of ze in staat is zelf voor haar kind te zorgen. Het eerste bezoek van de Kin­der­be­scher­ming kwam tot stand doordat haar buurman had gemeld dat hij bij Amber op de deur had geklopt omdat de baby al twee uur lang huilde, en dat hij door het raam had gezien dat Amber op de bank lag te slapen terwijl de baby op een kleedje op de grond lag te huilen. Amber zegt dat ze graag hulp wil hebben, maar ze is bang dat de Raad voor de Kin­der­be­scher­ming, wanneer er een psychische aandoening in haar dossier wordt vermeld, weinig vertrouwen zal hebben in haar vermogen om voor haar baby te zorgen.

Ter overweging

Met welke diagnostische afwegingen moet Ambers psychiater volgens jou rekening houden?

In hoeverre zal Amber baat hebben bij een accurate classificatie?

Welke psychosociale kwesties zijn in deze situatie aan de orde en hoe zijn ze van invloed op het proces om tot een classificatie te komen?

De DSM-5 en de eerdere edities van de DSM lijken op andere clas­si­fi­ca­tie­sys­te­men zoals de ICD omdat elke editie door een opeenvolgend proces van herziening van de nieuwe we­ten­schap­pe­lij­ke gegevens en een weloverwogen con­sen­sus­vor­ming tot stand komt. Sommige onderdelen van de DSM-5 zijn identiek aan de eerdere edities — bijvoorbeeld de indeling van classificaties voor de per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen in deel II, ‘Clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria en codes’.

Veel onderdelen bevatten nieuwe of nauwkeuriger benaderingen, die een stap verder gaan dan de eerdere DSM-edities. De DSM-5 is niet volmaakt of ‘finaal’ — deze handleiding zal dan ook zeker worden vervangen door een nieuwe, zodra er nieuwe inzichten zijn in ziektes en het disfunctioneren van de hersenen — en de lezer van DSM-5: Studiegids doet er goed aan zich bewust te zijn van het feit dat het DSM-proces altijd in ontwikkeling is.

Deze studiegids is bedoeld om clinici van alle er­va­rings­ni­veaus te helpen het nieuwe DSM-5-clas­si­fi­ca­tie­sys­teem onder de knie te krijgen. Sinds het verschijnen van de DSM-5 zijn we in dit nieuwe clas­si­fi­ca­tie­sys­teem in zekere zin allemaal beginners en zullen we er profijt van hebben om het gezamenlijk te bestuderen. Veel succes!

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.