Aan­pas­sings­stoor­nis­sen Bij aan­pas­sings­stoor­nis­sen kan de stressor meer of minder ernstig en van een andere aard zijn dan een stressor waarbij sprake is van blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld, zoals voor PTSS-criterium A vereist is. De classificatie aan­pas­sings­stoor­nis wordt gebruikt in het geval dat een reactie op een stressor die voldoet aan PTSS-criterium A niet voldoet aan alle andere PTSS-criteria (of de criteria voor een andere psychische stoornis). Een classificatie aan­pas­sings­stoor­nis wordt ook toegekend als het klachtenpatroon van PTSS zich voordoet als reactie op een stressor die niet aan PTSS-criterium A voldoet (zoals verlaten worden door je hu­we­lijks­part­ner, ontslagen worden).

Andere post­trau­ma­ti­sche stoornissen en aandoeningen Niet alle psychiatrische symptomen die zich voordoen bij mensen die zijn blootgesteld aan een extreme stressor moeten nood­za­ke­lij­ker­wijs worden toegeschreven aan PTSS. De classificatie PTSS vereist dat de blootstelling aan het trauma voorafgaat aan het begin of de verslechtering van de relevante symptomen. Als het symp­to­men­pa­troon van de reactie op de extreme stressor voldoet aan de criteria voor een andere psychische stoornis, moet deze classificatie in plaats van of naast PTSS worden toegekend. Andere stoornissen en aandoeningen worden uitgesloten als zij beter verklaard worden door PTSS (zoals de symptomen van de paniekstoornis die zich pas voordoen na blootstelling aan aspecten die aan het trauma doen denken). Als het patroon van symptomen in reactie op extreme stressoren ernstig van aard is, rechtvaardigt het mogelijk een aparte classificatie (zoals dissociatieve amnesie).

Acute stressstoornis De acute stressstoornis wordt van PTSS onderscheiden doordat het klachtenpatroon bij de acute stressstoornis beperkt is tot een duur van drie dagen tot één maand na blootstelling aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.

Angst­stoor­nis­sen en de obsessieve-compulsieve stoornis Bij OCS is er sprake van recidiverende intrusieve gedachten, maar deze voldoen aan de definitie van een dwanggedachte. Bovendien hangen de zich opdringende gedachten niet samen met een meegemaakte psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis, zijn er meestal dwang­han­de­lin­gen aanwezig, en zijn andere symptomen van PTSS of de acute stressstoornis meestal afwezig. Noch de arousal en dissociatieve symptomen van de paniekstoornis, noch de vermijding, prikkelbaarheid en angst van de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis hangen samen met een specifieke psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. De symptomen van de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis hangen duidelijk samen met scheiding van huis of gezin, en niet zozeer met een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.

Depressieve stoornis Een depressieve stoornis kan al dan niet worden voorafgegaan door een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis, en deze classificatie moet worden toegekend als volledig aan de criteria is voldaan. Met name omvat de depressieve stoornis geen enkel van de symptomen van PTSS-criterium B of C, noch een aantal van de symptomen van PTSS-criterium D of E. Wanneer echter volledig wordt voldaan aan de criteria voor PTSS, kunnen beide classificaties worden toegekend.

Aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis Zowel bij ADHD als bij PTSS kan sprake zijn van problemen met de aandacht, de concentratie en het leren. In tegenstelling tot bij ADHD, waar deze problemen voor de leeftijd van 12 jaar moeten zijn begonnen, beginnen de klachten bij PTSS na blootstelling aan een traumatiserende gebeurtenis zoals beschreven in criterium A. Bij PTSS zijn de verstoringen van de aandacht en concentratie van de betrokkene toe te schrijven aan de alertheid op gevaar en de overdreven schrikreacties bij zaken die aan het psychotrauma herinneren.

Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen In­ter­per­soon­lij­ke moeilijkheden die zijn begonnen of sterk zijn verslechterd na blootstelling aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis, kunnen eerder op PTSS wijzen dan op een per­soon­lijk­heids­stoor­nis, omdat daarbij dergelijke moeilijkheden te verwachten zijn zonder enige blootstelling aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.

Dissociatieve stoornissen Dissociatieve amnesie, de dissociatieve iden­ti­teits­stoor­nis en de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis kunnen al dan niet voorafgegaan worden door blootstelling aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis of kunnen al dan niet tegelijk voorkomen met PTSS-symptomen. Als echter ook aan alle PTSS-criteria wordt voldaan, moet overwogen worden om de classificatie PTSS met de specificatie ‘met dissociatieve symptomen’ toe te kennen.

Functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis (con­ver­sie­stoor­nis) Als zich binnen de context van posttraumatisch lijden voor het eerst somatische symptomen voordoen, kan dat eerder een indicatie van PTSS zijn dan van een functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis.

Psychotische stoornissen De flashbacks bij PTSS moeten onderscheiden worden van illusoire vervalsingen, hallucinaties en andere perceptuele stoornissen die zich kunnen voordoen bij schizofrenie, de kortdurende psychotische stoornis en andere psychotische stoornissen; depressieve- en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen met psychotische kenmerken; een delirium; stoornissen door een middel/medicatie; en psychotische stoornissen door een somatische aandoening. Flashbacks bij PTSS zijn te onderscheiden van andere per­cep­tie­stoor­nis­sen doordat ze direct verband houden met de traumatiserende ervaring en ook optreden zonder de aanwezigheid van psychotische kenmerken, al dan niet door een middel.

Traumatisch hersenletsel Bij sommige soorten traumatiserende gebeurtenissen is zowel het risico op PTSS als dat op traumatisch hersenletsel verhoogd, omdat daarbij hoofdletsel kan ontstaan (bijvoorbeeld in militaire ge­vechts­si­tu­a­ties, bij een bomexplosie, lichamelijke mishandeling als kind, partnergeweld, een geweldsmisdrijf, een ongeval met een gemotoriseerd voertuig of andere ongelukken). In die gevallen is het mogelijk dat mensen die zich presenteren met PTSS ook traumatisch hersenletsel hebben, en dat mensen met een traumatisch hersenletsel daarnaast ook PTSS hebben. Mensen met PTSS die ook traumatisch hersenletsel hebben, kunnen persisterende post­con­tusi­o­ne­le klachten hebben (zoals hoofdpijn, duizeligheid, over­ge­voe­lig­heid voor licht of geluid, prikkelbaarheid, con­cen­tra­tie­pro­ble­men). Dergelijke klachten treden mogelijk ook op bij mensen die geen hersenletsel hebben, inclusief mensen met PTSS. Omdat de symptomen van PTSS en de neurocognitieve symptomen die met traumatisch hersenletsel samenhangen met elkaar kunnen overlappen, is het mogelijk om tussen beide onderscheid te maken aan de hand van de symptomen die kenmerkend zijn voor elk ziektebeeld. Terwijl herbeleving en vermijding kenmerkend zijn voor PTSS en geen gevolgen zijn van traumatisch hersenletsel, zijn aanhoudende desoriëntatie en verwardheid meer specifiek voor traumatisch hersenletsel (neurocognitieve gevolgen) dan voor PTSS. De moeite om zich de traumatiserende gebeurtenis te herinneren die bij traumatisch hersenletsel optreedt, is doorgaans toe te schrijven aan een let­sel­ge­re­la­teerd onvermogen om informatie in het geheugen op te slaan, terwijl PTSS-gerelateerde ge­heu­gen­pro­ble­men doorgaans te maken hebben met dissociatieve amnesie. Slaapproblemen komen bij beide classificaties vaak voor.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.