PTSS kan op elke leeftijd voorkomen, beginnend na het eerste levensjaar. De symptomen beginnen meestal binnen de eerste drie maanden na het trauma, hoewel er een vertraging van enkele maanden of zelfs jaren kan optreden voordat er volledig aan de criteria voor de stoornis wordt voldaan. Er is ruimschoots bewijs voor wat de DSM-IV ‘met verlaat begin’ noemde, maar wat nu ‘met uitgestelde expressie’ heet, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat sommige symptomen zich vaak onmiddellijk voordoen en dat de vertraging het volledig voldoen aan alle criteria betreft.

Aanvankelijk voldoet de reactie van een betrokkene op een trauma in de nasleep van het trauma vaak aan de criteria voor de acute stressstoornis. De symptomen van PTSS en het relatieve op de voorgrond staan van verschillende symptomen kunnen diagnostisch in de loop van de tijd variëren. De duur van de symptomen varieert ook, waarbij ongeveer de helft van de volwassenen binnen drie maanden volledig herstelt, terwijl sommige mensen langer dan een jaar en soms meer dan vijftig jaar symptomen blijven vertonen. De symptomen kunnen terugkeren en toenemen als reactie op aspecten die herinneringen aan het oorspronkelijke trauma oproepen, aanhoudende le­vens­stres­so­ren, of nieuw ervaren psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen.

De klinische expressie van de herbelevingen kan gedurende de ontwikkeling variëren. Het gebruik van andere criteria voor kinderen van 6 jaar en jonger dan voor mensen van boven die leeftijd is gebaseerd op de variaties in het klinische beeld per ont­wik­ke­lings­fa­se. Jonge kinderen kunnen aangeven dat ze opnieuw beangstigende dromen hebben, met een inhoud die niet specifiek is voor de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Kinderen van 6 jaar en jonger kunnen PTSS ontwikkelen als gevolg van ernstige emotionele mishandeling (bijvoorbeeld dreigen met verlating), wat als le­vens­be­drei­gend kan worden ervaren. Tijdens de behandeling van een le­vens­be­drei­gen­de ziekte (zoals kanker) of bij riskante medische ingrepen (zoals or­gaan­trans­plan­ta­tie) kan de ervaring die jonge kinderen hebben van de ernst en hevigheid van de behandeling bijdragen aan het risico op het ontwikkelen van post­trau­ma­ti­sche-stresssymptomen; de eigen inschatting van de dreiging kan eveneens bijdragen aan het risico om post­trau­ma­ti­sche-stresssymptomen te ontwikkelen in de adolescentie. Voor het 6de levensjaar hebben jonge kinderen een grotere kans op her­be­le­vings­symp­to­men bij het spelen die rechtstreeks of in symbolische zin naar het trauma verwijzen (zie de criteria voor het subtype post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger). Het komt voor dat ze op het moment van de blootstelling of gedurende de herbeleving geen angstreacties vertonen. Ouders van jonge kinderen kunnen aangeven dat deze een groot aantal emotionele of gedragsmatige veranderingen doormaken. Kinderen kunnen zich richten op ingebeelde interventies tijdens hun spel of het vertellen van verhalen. Naast vermijding kunnen kinderen gepreoccupeerd raken met aspecten die herinneringen aan het trauma oproepen. Omdat jonge kinderen nog niet goed in staat zijn om hun gedachten te formuleren en emoties te benoemen, zullen de negatieve veranderingen in stemming of cognities primair meestal stem­mings­ver­an­de­rin­gen betreffen. Kinderen kunnen tegelijk optredende trauma’s meemaken (zoals lichamelijke mishandeling, getuige zijn van huiselijk geweld) en zijn bij chronische traumatisering soms niet in staat om aan te geven wanneer de symptomen begonnen zijn. Ver­mij­dings­ge­drag kan bij jonge kinderen gepaard gaan met een beperking in het spel of onderzoekend gedrag; verminderde deelname aan nieuwe activiteiten bij schoolgaande kinderen; of te­rug­hou­dend­heid in het grijpen van kansen in hun ontwikkeling bij adolescenten (zoals uitgaan, autorijden). Oudere kinderen en adolescenten kunnen zichzelf laf vinden. Adolescenten kunnen ervan overtuigd zijn dat ze zodanig veranderd zijn dat ze vervreemd zijn geraakt van hun leeftijdgenoten en dat deze hen buitensluiten, waarbij al hun toe­komst­ver­wach­tin­gen instorten. Prikkelbaar of agressief gedrag bij kinderen en adolescenten kan de relaties met leeftijdgenoten en het functioneren op school belemmeren. Roekeloos gedrag kan leiden tot letsel bij de betrokkene zelf of bij anderen, of tot sensatiezoekend of ander zeer riskant gedrag. Bij oudere mensen hangt de stoornis samen met negatieve ideeën over de eigen gezondheid, gebruik van de eer­ste­lijns­ge­zond­heids­zorg en su­ï­ci­de­ge­dach­ten. Daarnaast kunnen een verslechtering van de gezondheid, verminderd cognitief functioneren en sociaal isolement leiden tot exacerbatie van de PTSS-symptomen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.