Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis

Posttraumatic stress disorder

F43.1

CLASSIFICATIECRITERIA

Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis bij betrokkenen ouder dan 6 jaar
NB De volgende criteria zijn van toepassing op volwassenen, adolescenten en kinderen ouder dan 6 jaar. Zie voor kinderen jonger dan 6 jaar de overeenkomstige criteria hierna.

ABlootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld op een (of meer) van de volgende manieren:

1Zelf ondergaan van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

2Persoonlijk getuige zijn geweest van de gebeurtenis(sen) terwijl deze anderen overkwam(en).

In plaats van drie grote symp­toom­clus­ters zoals in de DSM-IV, zijn er nu vier: intrusieve symptomen (criterium B), vermijding (criterium C), negatieve veranderingen in cognities en stemming gerelateerd aan de gebeurtenis (criterium D), en duidelijke veranderingen in arousal en reactiviteit (criterium E). Als voorbeeld van een dergelijke verandering is roekeloos of zelfdestructief gedrag (E2) toegevoegd.

De psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis kan op verschillende manieren opnieuw worden beleefd. De betrokkene kan terugkerende, onvrijwillige en indringende herinneringen aan de gebeurtenis hebben (B1). De nadruk ligt op spontane of getriggerde terugkerende herinneringen aan de gebeurtenis, die doorgaans zintuiglijke, emotionele of fysiologische ge­drags­com­po­nen­ten bevatten. Een veelvoorkomend terugkerend symptoom is het hebben van onaangename dromen waarin de gebeurtenis opnieuw wordt beleefd of de aan de gebeurtenis gerelateerde gevaren naar voren komen (B2). Deze dromen kunnen de onderwerpen belichten die representatief zijn voor of thematisch verbonden zijn met de belangrijkste bedreigingen die van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis uitgaan (bijvoorbeeld wanneer een overlevende van een auto-ongeluk droomt van crashende auto’s). Iemand kan in een dissociatieve toestand geraken waarin episoden van de gebeurtenis worden herbeleefd en de betrokkene zich gedraagt alsof hij of zij de gebeurtenis opnieuw ervaart. Dissociatieve reacties (flashbacks) zijn meestal kort, maar kunnen grote lijdensdruk veroorzaken (B3).

De betrokkene vermijdt hardnekkig prikkels die hij of zij associeert met het psychotrauma (criterium C). Hij of zij kan weigeren om over de psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaring te spreken, of kan ver­mij­dings­stra­te­gie­ën gebruiken om emotionele reacties te voorkomen. Voorbeelden zijn het vermijden van kijken naar berichtgeving over psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaringen, weigeren om terug te keren naar de plaats waar het trauma is ontstaan, of vermijden van interacties met anderen die dezelfde ervaring delen (C2).

De betrokkene kan ook negatieve veranderingen in cognities en stemming ondervinden die in verband staan met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Voorbeelden zijn het onvermogen om zich belangrijke aspecten van de gebeurtenis te herinneren (dissociatieve amnesie) (D1), of overdreven negatieve opvattingen hebben over zichzelf (bijvoorbeeld: ‘Ik ben een slecht mens’) (D2). Sommige betrokkenen ervaren een aanhoudende negatieve gemoedstoestand, met gevoelens van angst, afschuw of boosheid (D4), of gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen (D6), waaronder de­per­so­na­li­sa­tie, een vervreemd gevoel over zichzelf, of derealisatie, een vervreemd beeld van de omgeving. Anderen melden een onvermogen om positieve emoties zoals geluk of vreugde te voelen (D7); deze symptomen worden soms aangeduid als emotionele of psychische verdoving.

De betrokkene moet twee of meer symptomen van arousal hebben, zoals een overdreven schrikreactie of con­cen­tra­tie­pro­ble­men. Sommige mensen ervaren prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (E1). Naar aanleiding van on­der­zoeks­re­sul­ta­ten is deze symp­toom­be­schrij­ving in de DSM-5 uitgebreid om aan te geven dat er weinig (of geen) aanleiding hoeft te zijn voor dit gedrag en dat het kan gaan om verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen. Dit helpt om PTSS te onderscheiden van andere oorzaken van agressie, zoals de antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

3Vernemen dat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) een naast familielid of goede vriend(in) is (zijn) overkomen. Bij een feitelijke of dreigende dood van een familielid of vriend(in) moet(en) de gebeurtenis(sen) gewelddadig van karakter zijn of een ongeval betreffen.

4Ondergaan van herhaaldelijke of extreme blootstelling aan de afschuwwekkende details van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) (zoals bij hulpverleners die stoffelijke resten moeten verzamelen; politieagenten die herhaaldelijk worden geconfronteerd met de details van kindermisbruik).

Dit criterium is aangepast om een eind te maken aan on­dui­de­lijk­he­den en de definitie van een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis aan te scherpen. De criteria verduidelijken dat het gaat om de blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld (dit laatste is in de plaats gekomen van de formulering ‘een bedreiging […] voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen’). De manieren waarop iemand kan worden blootgesteld aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis zijn ook explicieter gemaakt dan in de DSM-IV. Voorbeelden zijn: het zelf ondergaan of persoonlijk getuige zijn geweest van een gebeurtenis, of vernemen dat een gebeurtenis een naast familielid of goede vriend is overkomen. In het laatste geval moet de feitelijke of dreigende dood het gevolg zijn van geweld of een ongeluk. Vernemen dat bijvoorbeeld een familielid is overleden aan een natuurlijke oorzaak valt hier niet onder. Criterium A4 is nieuw en vereist dat er sprake is van herhaaldelijke of extreme blootstelling aan de afschuwwekkende details van een gebeurtenis (zoals hulpverleners kunnen ervaren). Hoewel de formulering in de DSM-IV een dergelijke blootstelling kan omvatten, werd na de ter­reur­aan­sla­gen van 11 september 2001 duidelijk dat mensen die stoffelijke resten moeten opruimen PTSS-symptomen kunnen ontwikkelen (ook al zijn ze geen getuige geweest van de gebeurtenis). In een notabene maakt de DSM-5 ook duidelijk dat blootstelling via de media (bijvoorbeeld lezen over een gebeurtenis of ernaar kijken op de televisie) onvoldoende is om aan dit criterium te voldoen.

NB Criterium A4 is niet van toepassing op blootstelling via elektronische media, televisie, films of foto’s, tenzij deze blootstelling werkgerelateerd is.

BDe aanwezigheid van een (of meer) van de volgende intrusieve symptomen die samenhangen met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) en die zijn begonnen nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden:

1Recidiverende, onvrijwillige en intrusieve pijnlijke herinneringen aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen). NB Bij kinderen die ouder zijn dan 6 jaar kan er sprake zijn van repetitief spel waarin thema’s of aspecten van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) tot uiting worden gebracht.

2Recidiverende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).
NB Bij kinderen kan er sprake zijn van beangstigende dromen zonder herkenbare inhoud.

3Dissociatieve reacties (zoals flashbacks) waarbij de betrokkene het gevoel heeft of handelt alsof de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) opnieuw plaatsvindt (plaatsvinden). (Dergelijke reacties kunnen zich op een continuüm bevinden, waarbij de extreemste uiting de vorm kan hebben van een volledig gebrek aan besef van de actuele omgeving.) NB Bij kinderen kan het voorkomen dat ze de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen naspelen.

4Intense of langdurige psychische lijdensdruk bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken.

5Duidelijke fysiologische reacties op interne of externe prikkels die een aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken.

In plaats van drie grote symp­toom­clus­ters zoals in de DSM-IV, zijn er nu vier: intrusieve symptomen (criterium B), vermijding (criterium C), negatieve veranderingen in cognities en stemming gerelateerd aan de gebeurtenis (criterium D), en duidelijke veranderingen in arousal en reactiviteit (criterium E). Als voorbeeld van een dergelijke verandering is roekeloos of zelfdestructief gedrag (E2) toegevoegd.

De psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis kan op verschillende manieren opnieuw worden beleefd. De betrokkene kan terugkerende, onvrijwillige en indringende herinneringen aan de gebeurtenis hebben (B1). De nadruk ligt op spontane of getriggerde terugkerende herinneringen aan de gebeurtenis, die doorgaans zintuiglijke, emotionele of fysiologische ge­drags­com­po­nen­ten bevatten. Een veelvoorkomend terugkerend symptoom is het hebben van onaangename dromen waarin de gebeurtenis opnieuw wordt beleefd of de aan de gebeurtenis gerelateerde gevaren naar voren komen (B2). Deze dromen kunnen de onderwerpen belichten die representatief zijn voor of thematisch verbonden zijn met de belangrijkste bedreigingen die van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis uitgaan (bijvoorbeeld wanneer een overlevende van een auto-ongeluk droomt van crashende auto’s). Iemand kan in een dissociatieve toestand geraken waarin episoden van de gebeurtenis worden herbeleefd en de betrokkene zich gedraagt alsof hij of zij de gebeurtenis opnieuw ervaart. Dissociatieve reacties (flashbacks) zijn meestal kort, maar kunnen grote lijdensdruk veroorzaken (B3).

De betrokkene vermijdt hardnekkig prikkels die hij of zij associeert met het psychotrauma (criterium C). Hij of zij kan weigeren om over de psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaring te spreken, of kan ver­mij­dings­stra­te­gie­ën gebruiken om emotionele reacties te voorkomen. Voorbeelden zijn het vermijden van kijken naar berichtgeving over psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaringen, weigeren om terug te keren naar de plaats waar het trauma is ontstaan, of vermijden van interacties met anderen die dezelfde ervaring delen (C2).

De betrokkene kan ook negatieve veranderingen in cognities en stemming ondervinden die in verband staan met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Voorbeelden zijn het onvermogen om zich belangrijke aspecten van de gebeurtenis te herinneren (dissociatieve amnesie) (D1), of overdreven negatieve opvattingen hebben over zichzelf (bijvoorbeeld: ‘Ik ben een slecht mens’) (D2). Sommige betrokkenen ervaren een aanhoudende negatieve gemoedstoestand, met gevoelens van angst, afschuw of boosheid (D4), of gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen (D6), waaronder de­per­so­na­li­sa­tie, een vervreemd gevoel over zichzelf, of derealisatie, een vervreemd beeld van de omgeving. Anderen melden een onvermogen om positieve emoties zoals geluk of vreugde te voelen (D7); deze symptomen worden soms aangeduid als emotionele of psychische verdoving.

De betrokkene moet twee of meer symptomen van arousal hebben, zoals een overdreven schrikreactie of con­cen­tra­tie­pro­ble­men. Sommige mensen ervaren prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (E1). Naar aanleiding van on­der­zoeks­re­sul­ta­ten is deze symp­toom­be­schrij­ving in de DSM-5 uitgebreid om aan te geven dat er weinig (of geen) aanleiding hoeft te zijn voor dit gedrag en dat het kan gaan om verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen. Dit helpt om PTSS te onderscheiden van andere oorzaken van agressie, zoals de antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

CPersisterende vermijding van prikkels die geassocieerd worden met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen), die begon nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit een of beide van de volgende kenmerken:

1Vermijding of pogingen tot vermijding van pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens over, of sterk samenhangend met, de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

2Vermijding of pogingen tot vermijding van externe aspecten die aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) herinneren (mensen, plaatsen, gesprekken, activiteiten, voorwerpen, situaties), die pijnlijke herinneringen, gedachten of gevoelens oproepen over, of sterk samenhangen met, de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

DNegatieve veranderingen in cognities en stemming, gerelateerd aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen), die zijn begonnen of verergerd nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende kenmerken:

1Onvermogen om zich een belangrijk aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) te herinneren (gewoonlijk door dissociatieve amnesie en niet door andere factoren, zoals hoofdletsel, of alcohol- of drugsgebruik).

2Persisterende en overdreven negatieve overtuigingen of verwachtingen over zichzelf, anderen of de wereld (bijvoorbeeld: ‘Ik ben slecht’, ‘Je kunt niemand vertrouwen’, ‘De wereld is door en door gevaarlijk’, ‘Mijn hele zenuwstelsel is voor altijd verwoest’).

3Persisterende, vertekende cognities over de oorzaak of gevolgen van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen), die ertoe leiden dat de betrokkene zichzelf of anderen er de schuld van geeft.

4Persisterende negatieve gemoedstoestand (bijvoorbeeld angst, afschuw, boosheid, schuldgevoelens of schaamte).

5Duidelijk verminderde belangstelling voor of deelname aan belangrijke activiteiten.

6Gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen.

In plaats van drie grote symp­toom­clus­ters zoals in de DSM-IV, zijn er nu vier: intrusieve symptomen (criterium B), vermijding (criterium C), negatieve veranderingen in cognities en stemming gerelateerd aan de gebeurtenis (criterium D), en duidelijke veranderingen in arousal en reactiviteit (criterium E). Als voorbeeld van een dergelijke verandering is roekeloos of zelfdestructief gedrag (E2) toegevoegd.

De psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis kan op verschillende manieren opnieuw worden beleefd. De betrokkene kan terugkerende, onvrijwillige en indringende herinneringen aan de gebeurtenis hebben (B1). De nadruk ligt op spontane of getriggerde terugkerende herinneringen aan de gebeurtenis, die doorgaans zintuiglijke, emotionele of fysiologische ge­drags­com­po­nen­ten bevatten. Een veelvoorkomend terugkerend symptoom is het hebben van onaangename dromen waarin de gebeurtenis opnieuw wordt beleefd of de aan de gebeurtenis gerelateerde gevaren naar voren komen (B2). Deze dromen kunnen de onderwerpen belichten die representatief zijn voor of thematisch verbonden zijn met de belangrijkste bedreigingen die van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis uitgaan (bijvoorbeeld wanneer een overlevende van een auto-ongeluk droomt van crashende auto’s). Iemand kan in een dissociatieve toestand geraken waarin episoden van de gebeurtenis worden herbeleefd en de betrokkene zich gedraagt alsof hij of zij de gebeurtenis opnieuw ervaart. Dissociatieve reacties (flashbacks) zijn meestal kort, maar kunnen grote lijdensdruk veroorzaken (B3).

De betrokkene vermijdt hardnekkig prikkels die hij of zij associeert met het psychotrauma (criterium C). Hij of zij kan weigeren om over de psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaring te spreken, of kan ver­mij­dings­stra­te­gie­ën gebruiken om emotionele reacties te voorkomen. Voorbeelden zijn het vermijden van kijken naar berichtgeving over psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaringen, weigeren om terug te keren naar de plaats waar het trauma is ontstaan, of vermijden van interacties met anderen die dezelfde ervaring delen (C2).

De betrokkene kan ook negatieve veranderingen in cognities en stemming ondervinden die in verband staan met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Voorbeelden zijn het onvermogen om zich belangrijke aspecten van de gebeurtenis te herinneren (dissociatieve amnesie) (D1), of overdreven negatieve opvattingen hebben over zichzelf (bijvoorbeeld: ‘Ik ben een slecht mens’) (D2). Sommige betrokkenen ervaren een aanhoudende negatieve gemoedstoestand, met gevoelens van angst, afschuw of boosheid (D4), of gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen (D6), waaronder de­per­so­na­li­sa­tie, een vervreemd gevoel over zichzelf, of derealisatie, een vervreemd beeld van de omgeving. Anderen melden een onvermogen om positieve emoties zoals geluk of vreugde te voelen (D7); deze symptomen worden soms aangeduid als emotionele of psychische verdoving.

De betrokkene moet twee of meer symptomen van arousal hebben, zoals een overdreven schrikreactie of con­cen­tra­tie­pro­ble­men. Sommige mensen ervaren prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (E1). Naar aanleiding van on­der­zoeks­re­sul­ta­ten is deze symp­toom­be­schrij­ving in de DSM-5 uitgebreid om aan te geven dat er weinig (of geen) aanleiding hoeft te zijn voor dit gedrag en dat het kan gaan om verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen. Dit helpt om PTSS te onderscheiden van andere oorzaken van agressie, zoals de antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

7Persisterend onvermogen om positieve emoties te ervaren (zoals onvermogen om geluk, voldoening of liefdevolle gevoelens te ervaren).

In plaats van drie grote symp­toom­clus­ters zoals in de DSM-IV, zijn er nu vier: intrusieve symptomen (criterium B), vermijding (criterium C), negatieve veranderingen in cognities en stemming gerelateerd aan de gebeurtenis (criterium D), en duidelijke veranderingen in arousal en reactiviteit (criterium E). Als voorbeeld van een dergelijke verandering is roekeloos of zelfdestructief gedrag (E2) toegevoegd.

De psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis kan op verschillende manieren opnieuw worden beleefd. De betrokkene kan terugkerende, onvrijwillige en indringende herinneringen aan de gebeurtenis hebben (B1). De nadruk ligt op spontane of getriggerde terugkerende herinneringen aan de gebeurtenis, die doorgaans zintuiglijke, emotionele of fysiologische ge­drags­com­po­nen­ten bevatten. Een veelvoorkomend terugkerend symptoom is het hebben van onaangename dromen waarin de gebeurtenis opnieuw wordt beleefd of de aan de gebeurtenis gerelateerde gevaren naar voren komen (B2). Deze dromen kunnen de onderwerpen belichten die representatief zijn voor of thematisch verbonden zijn met de belangrijkste bedreigingen die van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis uitgaan (bijvoorbeeld wanneer een overlevende van een auto-ongeluk droomt van crashende auto’s). Iemand kan in een dissociatieve toestand geraken waarin episoden van de gebeurtenis worden herbeleefd en de betrokkene zich gedraagt alsof hij of zij de gebeurtenis opnieuw ervaart. Dissociatieve reacties (flashbacks) zijn meestal kort, maar kunnen grote lijdensdruk veroorzaken (B3).

De betrokkene vermijdt hardnekkig prikkels die hij of zij associeert met het psychotrauma (criterium C). Hij of zij kan weigeren om over de psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaring te spreken, of kan ver­mij­dings­stra­te­gie­ën gebruiken om emotionele reacties te voorkomen. Voorbeelden zijn het vermijden van kijken naar berichtgeving over psy­cho­trau­ma­ti­sche ervaringen, weigeren om terug te keren naar de plaats waar het trauma is ontstaan, of vermijden van interacties met anderen die dezelfde ervaring delen (C2).

De betrokkene kan ook negatieve veranderingen in cognities en stemming ondervinden die in verband staan met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Voorbeelden zijn het onvermogen om zich belangrijke aspecten van de gebeurtenis te herinneren (dissociatieve amnesie) (D1), of overdreven negatieve opvattingen hebben over zichzelf (bijvoorbeeld: ‘Ik ben een slecht mens’) (D2). Sommige betrokkenen ervaren een aanhoudende negatieve gemoedstoestand, met gevoelens van angst, afschuw of boosheid (D4), of gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen (D6), waaronder de­per­so­na­li­sa­tie, een vervreemd gevoel over zichzelf, of derealisatie, een vervreemd beeld van de omgeving. Anderen melden een onvermogen om positieve emoties zoals geluk of vreugde te voelen (D7); deze symptomen worden soms aangeduid als emotionele of psychische verdoving.

De betrokkene moet twee of meer symptomen van arousal hebben, zoals een overdreven schrikreactie of con­cen­tra­tie­pro­ble­men. Sommige mensen ervaren prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (E1). Naar aanleiding van on­der­zoeks­re­sul­ta­ten is deze symp­toom­be­schrij­ving in de DSM-5 uitgebreid om aan te geven dat er weinig (of geen) aanleiding hoeft te zijn voor dit gedrag en dat het kan gaan om verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen. Dit helpt om PTSS te onderscheiden van andere oorzaken van agressie, zoals de antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

EDuidelijke veranderingen in arousal en reactiviteit, gerelateerd aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen), die zijn begonnen of verergerd nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende kenmerken:

1Prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen.

2Roekeloos of zelfdestructief gedrag.

3Hypervigilantie.

4Overdreven schrikreacties.

5Con­cen­tra­tie­pro­ble­men.

6Verstoring van de slaap (zoals moeite met in- of doorslapen, of onrustige slaap).

FDe duur van de stoornis (criteria B, C, D en E) is langer dan één maand.

De duur van de stoornis is langer dan een maand. Dit duurcriterium is ten opzichte van de DSM-IV (criterium E) ongewijzigd gebleven. Het helpt PTSS te onderscheiden van de acute stressstoornis.

GDe stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Dit criterium is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de DSM-IV. Het vereist dat de symptomen significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken op belangrijke terreinen van het functioneren.

HDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

Het uit­slui­tings­cri­te­ri­um is nieuw in de DSM-5; het brengt PTSS in overeenstemming met andere stoornissen, waarbij het gebruik van drugs of medicijnen en de aanwezigheid van somatische aandoeningen als oorzaak van de stoornis worden geëlimineerd. Een belangrijke aandoening die moet worden uitgesloten is een post­con­cus­sie­syn­droom, of traumatisch hersenletsel, dat ver­ant­woor­de­lijk is voor verschillende symptomen die ook door PTSS kunnen worden veroorzaakt. Het gaat dan bijvoorbeeld om moeite met concentreren, prikkelbaarheid of woede, of over­ge­voe­lig­heid voor licht of geluiden. Het is mogelijk dat een betrokkene beide aandoeningen heeft.

Specificeer of:

Met dissociatieve symptomen De symptomen van de betrokkene voldoen aan de criteria voor de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis, en bovendien ervaart de betrokkene als reactie op de stressor persisterende of recidiverende symptomen van een van de volgende typen:

1De­per­so­na­li­sa­tie Persisterende of recidiverende ervaringen van gevoelens van vervreemding van de eigen psychische processen of het eigen lichaam, alsof de betrokkene zichzelf van buitenaf waarneemt (zoals het gevoel in een droom te zitten; het gevoel alsof het zelf of het lichaam onwerkelijk is, of alsof de tijd langzaam gaat).

2Derealisatie Persisterende of recidiverende ervaringen van gevoelens alsof de omgeving niet echt is (bijvoorbeeld de wereld rondom de betrokkene wordt ervaren als onecht, als in een droom, veraf of vervormd).

NB Om dit subtype te kunnen gebruiken mogen de dissociatieve symptomen niet kunnen worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals black-outs, gedrag tijdens de intoxicatie door alcohol) of aan een somatische aandoening (zoals complexe partiële convulsies).

Specificeer indien:

Met uitgestelde expressie Indien gedurende minstens de eerste zes maanden na de gebeurtenis niet volledig wordt voldaan aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria (hoewel het begin en de uiting van sommige symptomen onmiddellijk op de gebeurtenis kunnen volgen).

Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger

ABij kinderen van 6 jaar en jonger betreft het blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld op een (of meer) van de volgende manieren:

1Zelf ondergaan van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

2Persoonlijk getuige zijn geweest van de gebeurtenis(sen) terwijl deze anderen overkwam(en), in het bijzonder de primaire verzorgers.

3Vernemen dat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) een ouder of verzorger is (zijn) overkomen.

BDe aanwezigheid van een (of meer) van de volgende intrusieve symptomen die samenhangen met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) en die begonnen zijn nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden:

1Recidiverende, onvrijwillige en intrusieve pijnlijke herinneringen aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen). NB Spontane en intrusieve herinneringen hoeven niet nood­za­ke­lij­ker­wijs pijnlijk te lijken en kunnen zich uiten in de vorm van een gespeelde heropvoering.

2Recidiverende onaangename dromen waarin de inhoud en/of het affect van de droom samenhangt met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).
NB Soms is het niet mogelijk om vast te stellen of de beangstigende inhoud samenhangt met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.

3Dissociatieve reacties (zoals flashbacks) waarbij het kind het gevoel heeft of handelt alsof de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) opnieuw plaatsvindt (plaatsvinden). (Dergelijke reacties kunnen zich op een continuüm bevinden, waarbij de extreemste uiting de vorm kan hebben van een volledig gebrek aan besef van de actuele omgeving.) Dergelijke psy­cho­trau­maspe­ci­fie­ke herinneringen kunnen worden nagespeeld.

4Intense of langdurige psychische lijdensdruk bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) symboliseren of erop lijken.

5Duidelijke fysiologische reacties op herinneringen aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen).

CEen (of meer) van de volgende symptomen, die na de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) beginnen of verergeren, moet aanwezig zijn. Deze symptomen betreffen persisterende vermijding van prikkels die samenhangen met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) of negatieve veranderingen in cognities en stemming die samenhangen met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen):

Persisterende vermijding van prikkels

1Vermijding of pogingen tot vermijding van activiteiten, plaatsen of fysieke aspecten die herinneringen aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) oproepen.

2Vermijding of pogingen tot vermijding van mensen, gesprekken of in­ter­per­soon­lij­ke situaties die herinneringen aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) oproepen.

Negatieve veranderingen in cognities

3Sterk toegenomen frequentie van negatieve ge­moeds­toe­stan­den (zoals vrees, schuldgevoelens, verdriet, schaamte, verwarring).

4Duidelijk verminderde belangstelling voor of deelname aan belangrijke activiteiten, inclusief sterke verarming van het spel.

5Sociaal teruggetrokken gedrag.

6Persisterende afname van het uiten van positieve emoties.

DVeranderingen in arousal en reactiviteit die samenhangen met de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen), die zijn begonnen of verergerd nadat de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis(sen) heeft (hebben) plaatsgevonden, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende kenmerken:

1Prikkelbaar gedrag en woede-uitbarstingen (met weinig of geen aanleiding), gewoonlijk tot uiting komend in verbale of fysieke agressie jegens mensen of voorwerpen (waaronder extreme driftbuien).

2Hypervigilantie.

3Overdreven schrikreacties.

4Con­cen­tra­tie­pro­ble­men.

5Verstoring van de slaap (zoals moeite met in- of doorslapen, of onrustige slaap).

EDe duur van de stoornis is langer dan één maand.

FDe stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in relaties met ouders, broers en zussen, leeftijdgenoten of andere verzorgers, of met gedrag op school.

GDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

Specificeer of:

Met dissociatieve symptomen De symptomen van de betrokkene voldoen aan de criteria voor de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis, en bovendien ervaart de betrokkene persisterende of recidiverende symptomen van een van de volgende typen:

1De­per­so­na­li­sa­tie Persisterende of recidiverende ervaringen van gevoelens van vervreemding van de eigen psychische processen of het eigen lichaam, alsof de betrokkene zichzelf van buitenaf waarneemt (zoals het gevoel in een droom te zitten; het gevoel alsof het zelf of het lichaam onwerkelijk is, of alsof de tijd langzaam gaat).

2Derealisatie Persisterende of recidiverende ervaringen alsof de omgeving niet echt is (bijvoorbeeld de wereld rondom de betrokkene wordt ervaren als onecht, als in een droom, veraf of vervormd).

NB Om dit subtype te kunnen gebruiken mogen de dissociatieve symptomen niet kunnen worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals black-outs) of aan een somatische aandoening (zoals complexe partiële convulsies).

Specificeer indien:

Met uitgestelde expressie Indien gedurende minstens de eerste zes maanden na de gebeurtenis niet volledig wordt voldaan aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria (terwijl het begin en de uiting van sommige symptomen onmiddellijk op de gebeurtenis kunnen volgen).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.