Hoewel de bipolaire-II-stoornis in de late adolescentie tot op volwassen leeftijd kan beginnen, treden de eerste symptomen doorgaans op rond de leeftijd van 25 jaar; dat is iets later dan bij de bipolaire-I-stoornis maar eerder dan bij de depressieve stoornis. De aan­vangs­leef­tijd levert geen betrouwbaar onderscheid op tussen de bipolaire-I- en -II-stoornis. De aandoening begint vaak met een depressieve episode en wordt niet als een bipolaire-II-stoornis herkend totdat zich een hypomanische episode aandient; dit gebeurt bij ongeveer 12% van alle gevallen die aanvankelijk de classificatie depressieve stoornis hadden gekregen. Aan de bipolaire-II-stoornis kunnen angst­stoor­nis­sen, stoornissen in het gebruik van een middel of eetstoornissen voorafgaan, waardoor de aandoening niet altijd meteen wordt opgemerkt. Veel mensen ondergaan diverse depressieve episoden voordat voor het eerst een hypomanische episode wordt herkend. De tijd tussen de ziekteaanvang en de dia­gno­se­stel­ling van een bipolaire stoornis is dan ook meestal langer dan tien jaar.

De bipolaire-II-stoornis is een sterk recidiverende stoornis. Meer dan 50% van de betrokkenen maakt binnen een jaar na hun eerste episode een nieuwe episode door. Mensen met een bipolaire-II-stoornis hebben ook meer sei­zoens­ge­bon­den stem­mings­va­ri­a­tie dan mensen met een bipolaire-I-stoornis.

Het aantal episoden gedurende het leven (zowel hypomanische als depressieve episoden) is bij de bipolaire-II-stoornis hoger dan bij de depressieve stoornis of de bipolaire-I-stoornis. Aan de andere kant hebben mensen met een bipolaire-I-stoornis meer kans op manische symptomen dan mensen met een bipolaire-II-stoornis. Het interval tussen de stem­mingsepi­so­den tijdens het beloop van de bipolaire-II-stoornis wordt doorgaans kleiner naarmate de betrokkene ouder wordt. Hoewel een bipolaire-II-stoornis door de aanwezigheid van een hypomanische episode wordt gekenmerkt, zijn de depressieve episoden op den duur langduriger en meer verstorend. Ondanks dat depressiviteit op de voorgrond staat, blijft de classificatie bipolaire-II-stoornis staan nadat zich eenmaal een hypomanische episode heeft voorgedaan, en verandert dit nooit in de classificatie depressieve stoornis.

Ongeveer 5–15% van de mensen met een bipolaire-II-stoornis ervaart meerdere (vier of meer) stem­mingsepi­so­den (hypomanisch of depressief) in het voorafgaande jaar. Als dit patroon zich voordoet, wordt dit aangeduid met de specificatie ‘met rapid cycling’. Rapid cycling komt vaker voor bij vrouwen en kan wijzen op een algehele verslechtering van de stoornis.

De overgang van een depressieve episode naar een manische of hypomanische episode (met of zonder gemengde kenmerken) kan zich zowel spontaan als tijdens de behandeling van depressiviteit voordoen. Ongeveer 5–15% van de mensen met een bipolaire-II-stoornis zal uiteindelijk een manische episode ontwikkelen, waarmee de classificatie verandert in bipolaire-I-stoornis, ongeacht het verdere beloop.

Het toekennen van een classificatie bij kinderen is altijd moeilijk, vooral wanneer er sprake is van niet-episodische prikkelbaarheid en hypervigilantie (zonder helder afgebakende perioden waarin de stemming is veranderd). Niet-episodische prikkelbaarheid bij jongeren is op volwassen leeftijd gerelateerd aan een verhoogd risico op angst­stoor­nis­sen en de depressieve stoornis, maar niet aan de bipolaire stoornis. Bij voortdurend prikkelbare jongeren komen in de familie minder vaak bipolaire stoornissen voor dan bij jongeren die een bipolaire stoornis hebben. Voordat de classificatie hypomanische episode kan worden toegekend, moeten de symptomen ernstiger zijn dan wat binnen een bepaalde omgeving en cultuur gezien het ont­wik­ke­lings­ni­veau van het kind kan worden verwacht. Net als bij volwassenen zijn jongeren met een bipolaire-II-stoornis minder lang hypomanisch dan jongeren met een bipolaire-I-stoornis, en is de eerste episode meestal depressief. In vergelijking met een ziektebegin van de bipolaire-II-stoornis op volwassen leeftijd is de aandoening bij een ziektebegin in de kindertijd of adolescentie mogelijk gerelateerd aan een ernstiger beloop tijdens het leven.

De 3-jaarsincidentie van het eerste begin van de bipolaire-II-stoornis bij volwassenen ouder dan 60 jaar is 0,34%. Het lijkt echter klinisch van weinig nut om bij mensen boven de 60 jaar met een bipolaire-II-stoornis onderscheid te maken tussen een begin op oudere of jongere leeftijd. Gelijktijdig optredende lichte manische symptomen tijdens een depressieve episode komen vaker voor bij depressieve episoden van de bipolaire-II-stoornis dan bij depressieve episoden die optreden in het kader van een depressieve stoornis, en kunnen helpen om bij oudere volwassenen een bipolaire-II-stoornis te onderscheiden van een depressieve stoornis. Bij elke presentatie van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis op latere leeftijd is het belangrijk om somatische factoren in overweging te nemen, waaronder mogelijke interne en neurologische oorzaken van nieuwe symptomen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.