F31.8
CLASSIFICATIECRITERIA
Voor de classificatie bipolaire-II-stoornis zijn de volgende criteria voor een huidige of eerdere hypomanische episode, en de volgende criteria voor een huidige of eerdere depressieve episode vereist:
Hypomanische episode
AEen duidelijk herkenbare periode met een abnormaal en persisterend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, en een abnormaal en persisterend verhoogde activiteit of energie, gedurende minstens vier achtereenvolgende dagen het grootste deel van de dag, bijna elke dag aanwezig.
BTijdens de periode van de verhoogde stemming en de toegenomen energie en activiteit zijn drie (of meer) van de volgende symptomen (vier indien de stemming alleen prikkelbaar is) persisterend en in significante mate aanwezig en wijken deze opvallend af van het normale gedrag:
1Opgeblazen gevoel van eigenwaarde, of grandiositeit.
2Verminderde slaapbehoefte (bijvoorbeeld: voelt zich uitgerust na slechts drie uur slaap).
3Spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang.
4Gedachtevlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten gejaagd zijn.
5Verhoogde afleidbaarheid (dat wil zeggen: de aandacht wordt te gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet ter zake doende externe prikkels), volgens de betrokkene zelf, of door anderen waargenomen.
6Toename van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het werk of op school, ofwel seksueel) of psychomotorische agitatie.
7Zich excessief bezighouden met activiteiten waarbij een grote kans bestaat op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld ongeremde koopzucht, seksuele onbezonnenheid, of onbezonnen zakelijke investeringen).
CDe episode gaat gepaard met een onmiskenbare verandering in het functioneren die niet kenmerkend is voor de betrokkene wanneer deze symptoomvrij is.
DDe stemmingsstoornis en veranderingen in het functioneren kunnen door anderen worden waargenomen.
EDe episode is niet ernstig genoeg om duidelijke beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren te veroorzaken of opname in een ziekenhuis noodzakelijk te maken. Als er psychotische kenmerken aanwezig zijn, is de episode per definitie manisch.
FDe episode kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug, medicatie of een andere behandeling) of aan een somatische aandoening.
NB Een volledig hypomanische episode die zich voordoet tijdens een antidepressieve behandeling (bijvoorbeeld met medicatie of elektroconvulsietherapie) maar die ook nadat de fysiologische effecten van deze behandeling zijn uitgewerkt, volledig aan de criteria voldoet, levert voldoende bewijs voor de classificatie hypomanische episode. Voorzichtigheid is hierbij echter geboden omdat de aanwezigheid van één of twee symptomen (vooral verhoogde prikkelbaarheid, opvliegendheid of agitatie na het gebruik van antidepressiva) niet voldoende is om de classificatie hypomanische episode toe te kennen, en evenmin een indicatie is voor een bipolaire vatbaarheid.
Depressieve episode
AVijf (of meer) van de volgende symptomen zijn binnen dezelfde periode van twee weken aanwezig geweest en wijken af van het eerdere functioneren; minstens één van de symptomen is ofwel (1) een verlaagde stemming, ofwel (2) verlies van interesse of plezier.
NB Hierbij geen symptomen meetellen die duidelijk zijn toe te schrijven aan een somatische aandoening.
1Verlaagde stemming, gedurende het grootste deel van de dag en bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve verwoordingen (bijvoorbeeld zich verdrietig, leeg of hopeloos voelen), ofwel uit observatie door anderen (bijvoorbeeld: heeft tranen in de ogen). ( NB Bij kinderen en adolescenten kan de stemming prikkelbaar zijn.)
2Duidelijk verminderd(e) interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten, gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag (zoals blijkt uit een subjectieve beschrijving of observatie door anderen).
3Significant gewichtsverlies zonder dat dieet wordt gehouden, of een gewichtstoename (bijvoorbeeld meer dan 5% van het lichaamsgewicht binnen één maand), of bijna elke dag een afgenomen of toegenomen eetlust.
(NB Bij kinderen moet gedacht worden aan het niet bereiken van de te verwachten gewichtstoename).
4Insomnia of hypersomnia, bijna elke dag.
5Psychomotorische agitatie of vertraging, bijna elke dag (waarneembaar door anderen, en niet alleen subjectieve gevoelens van rusteloosheid of geremd worden).
6Vermoeidheid of verlies van energie, bijna elke dag.
7Gevoelens van waardeloosheid of excessieve of onterechte schuldgevoelens (die het karakter van een waan kunnen hebben), bijna elke dag (niet alleen zelfverwijt of schuldgevoel over het ziek zijn).
8Verminderd vermogen tot nadenken of concentreren, of besluiteloosheid, bijna elke dag (ofwel subjectief beschreven ofwel geobserveerd door anderen).
9Recidiverende gedachten aan de dood (niet alleen de vrees om dood te gaan), recidiverende suïcidegedachten zonder een specifiek plan, of een specifiek plan om suïcide te plegen, of een suïcidepoging.
BDe symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
CDe episode kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel of aan een somatische aandoening.
NB Criteria A–C wijzen gezamenlijk op een depressieve episode.
NB Bij een aanzienlijk verlies (bijvoorbeeld door een overlijden, financiële ondergang, verliezen door een natuurramp, een ernstige somatische aandoening of beperking) kunnen zich reacties voordoen zoals gevoelens van intens verdriet, rumineren over het verlies, insomnia, verminderde eetlust en gewichtsverlies, zoals vermeld in criterium A, die kunnen lijken op een depressieve episode. Hoewel deze symptomen begrijpelijk kunnen zijn of passend bij het verlies, dient de aanwezigheid van een depressieve episode, naast de normale reactie op een aanzienlijk verlies, ook zorgvuldig te worden overwogen. Deze afweging vereist onvermijdelijk een klinisch oordeel dat is gebaseerd op de anamnese van de betrokkene en de culturele normen voor de uiting van psychisch lijden bij verlies.Bij het onderscheid tussen rouw en een depressieve episode is het zinvol te overwegen dat het gevoel dat bij rouw op de voorgrond staat, een gevoel van leegheid en verlies is, terwijl bij een depressieve episode een aanhoudende verlaagde stemming en zich niet kunnen voorstellen ooit weer blijdschap of plezier te ervaren op de voorgrond staat. De somberheid bij rouw neemt naar verwachting na enkele dagen tot weken in intensiteit af en steekt bij vlagen op, in ‘golven van verdriet’. Deze golven gaan doorgaans gepaard met gedachten over of herinneringen aan de overledene. De verlaagde stemming van een depressieve episode is meer aanhoudend en niet gebonden aan specifieke gedachten of een bepaalde gepreoccupeerdheid. Het verdriet horende bij rouw kan gepaard gaan met positieve emoties en humor die niet kenmerkend zijn voor het allesdoordringende verdrietige en ellendige gevoel dat typerend is voor een depressieve episode. De gedachteinhoud die samengaat met rouw, kent doorgaans eerder een preoccupatie met gedachten en herinneringen aan de overledene dan de zelfbekritiserende of pessimistische ruminaties die zich bij een depressieve episode voordoen. Bij rouw blijft het gevoel van eigenwaarde doorgaans intact, terwijl een depressieve episode gewoonlijk gepaard gaat met gevoelens van waardeloosheid en zelfhaat. Als er sprake is van zelfminachting bij rouw, betreft het doorgaans een gevoel van falen ten opzichte van de overledene (bijvoorbeeld niet vaak genoeg op bezoek zijn geweest, niet hebben gezegd hoeveel deze voor de betrokkene heeft betekend). Als een nabestaande over de dood en doodgaan nadenkt, zijn deze gedachten meestal gericht op de overledene en gaan ze mogelijk over het ‘verenigd worden’ met de overledene, terwijl bij een depressieve episode de gedachten zich toespitsen op het beëindigen van het eigen leven omdat de betrokkene zich waardeloos en het leven onwaardig voelt, of niet in staat is met de last van de depressiviteit om te gaan.
Bipolaire-II-stoornis
AEr is minstens voldaan aan de criteria voor één hypomanische episode (criteria A–F onder ‘Hypomanische episode’ in het voorafgaande) en minstens één depressieve episode (criteria A–C onder ‘Depressieve episode’ in het voorafgaande).
BEr heeft zich nooit een manische episode voorgedaan.
CMinstens één hypomanische en minstens één depressieve episode kan niet beter worden verklaard door een schizoaffectieve stoornis en is niet gesuperponeerd op schizofrenie, een schizofreniforme stoornis, een waanstoornis of een andere gespecificeerde of ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis.
DDe depressieve symptomen of de onvoorspelbaarheid door de frequente afwisseling tussen perioden van depressiviteit en hypomanie veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Procedures voor codering en registratie De bipolaire-II-stoornis heeft één classificatiecode: F31.8. De toestand wat betreft ernst, aanwezigheid van psychotische kenmerken, beloop en andere specificaties kan niet worden gecodeerd, maar dient schriftelijk te worden aangegeven (bijvoorbeeld: F31.8 bipolaire-II-stoornis, huidige episode depressief, matig-ernstig, met gemengde kenmerken; F31.8 bipolaire-II-stoornis, meest recente periode depressief, gedeeltelijk in remissie).
→Specificeer actuele of meest recente episode:
Hypomanisch
Depressief
Indien de huidige episode hypomanisch is (of de meest recente episode indien de bipolaire-II-stoornis in gedeeltelijke of volledige remissie is):
Bij de registratie van de stoornis dienen de termen in de volgende volgorde te worden vermeld: bipolaire-II-stoornis, huidige of meest recente episode hypomanisch, gedeeltelijk in remissie/volledig in remissie (indien de actuele situatie niet volledig aan de criteria voor een hypomanische episode voldoet), gevolgd door alle hierna genoemde ongecodeerde specificaties die van toepassing zijn op de hypomanische episode(n). NB De specificaties ‘met rapid cycling’ en ‘met seizoensgebonden patroon’ beschrijven het patroon van de episoden.
→Specificeer indien:
Met angstige spanning
Met gemengde kenmerken
Met rapid cycling
Met begin peri partum
Met seizoensgebonden patroon
Indien de huidige episode depressief is (of de meest recente episode indien de bipolaire-II-stoornis in gedeeltelijke of volledige remissie is):
Bij de registratie van de stoornis dienen de termen in de volgende volgorde te worden vermeld: bipolaire-II-stoornis, huidige of meest recente episode depressief, licht/matig/ernstig (indien de actuele situatie volledig aan de criteria van een depressieve episode voldoet), gedeeltelijk in remissie/volledig in remissie (indien de actuele situatie niet volledig aan de criteria van een depressieve episode voldoet), gevolgd door alle hierna genoemde ongecodeerde specificaties die van toepassing zijn op de depressieve episode(n). NB De specificaties ‘met rapid cycling’ en ‘met seizoensgebonden patroon’ beschrijven het patroon van de episoden.
→Specificeer indien:
Met angstige spanning
Met gemengde kenmerken
Met rapid cycling
Met melancholische kenmerken
Met atypische kenmerken
Met stemmingscongruente psychotische kenmerken
Met stemmingsincongruente psychotische kenmerken
Met katatonie Coderingsaanwijzing Gebruik de aanvullende code F06.1.
Met begin peri partum
Met seizoensgebonden patroon
→Specificeer het beloop indien de actuele situatie volgens de criteria niet volledig aan een stemmingsepisode voldoet:
Gedeeltelijk in remissie
Volledig in remissie
→Specificeer de ernst indien de actuele situatie volgens de criteria volledig aan een depressieve episode voldoet:
Licht
Matig
Ernstig