Hoewel de ge­slachts­ver­hou­ding voor de bipolaire-I-stoornis gelijk is, lopen de bevindingen over gen­der­ver­schil­len bij de bipolaire-II-stoornis uiteen, afhankelijk van het type steekproef (register-, algemene bevolking of klinisch) en land van herkomst. In de algemene bevolking is er vrijwel geen bewijs voor gen­der­ver­schil­len bij bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen, terwijl volgens sommige, maar niet alle, onderzoeken de bipolaire-II-stoornis vaker voorkomt bij vrouwen dan bij mannen, wat een reflectie zou kunnen zijn van de verschillen in het zoeken van behandeling of andere factoren.

De patronen van ziekte en comorbiditeit lijken echter wel per geslacht te verschillen, waarbij vrouwen vaker dan mannen melding maken van hypomanie met gemengde depressieve kenmerken en van een beloop met rapid cycling. Een bevalling kan ook een zeer specifieke aanleiding zijn voor een hypomanische episode, die zich bij 10 tot 20% van de vrouwen in niet-klinische populaties kan voordoen, vrijwel altijd in de vroege post-partumperiode. Het kan hierbij lastig zijn om hypomanie te onderscheiden van de verhoogde stemming en verminderde slaap die zich doorgaans rond de geboorte van een kind voordoen. Post-partumhypomanie kan een voorbode zijn van een depressieve episode, die zich bij ongeveer de helft van de vrouwen voordoet die een post-partum-‘high’ ervaren. De perimenopauze kan ook een tijd van stem­mings­in­sta­bi­li­teit zijn bij de bipolaire-II-stoornis. Voor meerdere klinische variabelen zijn geen grote sek­se­ver­schil­len gevonden, waaronder de frequentie van depressieve episoden, de leeftijd en de polariteit bij aanvang, de symptomen en de ernst van de ziekte.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.