De bipolaire-II-stoornis wordt gekenmerkt door een klinisch beloop van terugkerende stemmingsepisoden met een of meer depressieve episoden (criteria A–C onder ‘Depressieve episode’) en minstens één hypomanische episode (criteria A–F onder ‘Hypomanische episode’). Voor de classificatie van een depressieve episode moet er sprake zijn van een periode van neerslachtigheid, of anders een duidelijk verminderde belangstelling of verminderd plezier, gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, die minstens twee weken duurt. De neerslachtigheid of het verlies van interesse moet gepaard gaan met in totaal minstens vijf bijna dagelijks optredende bijkomende symptomen (bijvoorbeeld slaapproblemen, psychomotorische agitatie of vertraging). De classificatie van een hypomanische episode vereist een duidelijke periode van abnormaal en persisterend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, en abnormaal en persisterend verhoogde activiteit of energie gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, gedurende ten minste vier opeenvolgende dagen, gepaard gaand met drie (of vier indien de stemming alleen prikkelbaar is) bijkomende symptomen (bijvoorbeeld opgeblazen gevoel van eigenwaarde, verminderde behoefte aan slaap, afleidbaarheid) die persisteren en duidelijk verschillen van het gebruikelijke gedrag en functioneren. Psychotische symptomen komen per definitie niet voor bij hypomanische episoden, en lijken minder vaak voor te komen bij depressieve episoden van een bipolaire-II-stoornis dan bij die van een bipolaire-I-stoornis. Als zich in het beloop van de aandoening een manische episode voordoet, moet de classificatie bipolaire-II-stoornis worden uitgesloten (criterium B onder ‘Bipolaire-II-stoornis’). Bovendien kunnen depressieve en hypomanische episoden alleen een rol spelen bij de classificatie bipolaire-II-stoornis als minstens één van de depressieve episoden en minstens één van de hypomanische episoden niet kan worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, een drug of blootstelling aan een toxine) of aan een somatische aandoening. Let wel: hypomanische episoden die optreden tijdens een behandeling met antidepressiva en minstens vier dagen na de uitwerking van een behandeling met medicatie volledig syndromaal aanhouden, worden niet beschouwd als door een middel veroorzaakt, en spelen wel een rol bij de classificatie bipolaire-II-stoornis. Daarnaast mag minstens één hypomanische episode en minstens één depressieve episode niet beter verklaard kunnen worden door een schizoaffectieve stoornis en niet gesuperponeerd zijn op schizofrenie, een schizofreniforme stoornis, een waanstoornis of een andere gespecificeerde of ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis (criterium C onder ‘Bipolaire-II-stoornis’). De depressieve episoden of het patroon van onvoorspelbare stemmingsveranderingen moeten klinisch significante lijdensdruk veroorzaken of beperkingen geven in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium D onder ‘Bipolaire-II-stoornis’). De recidiverende depressieve episoden zijn veelal frequenter en langduriger dan bij een bipolaire-I-stoornis.
Mensen met een bipolaire-II-stoornis melden zich meestal voor behandeling tijdens een depressieve episode. Zij klagen vrijwel nooit in eerste instantie over hypomanie, omdat ze de symptomen niet signaleren of de symptomen van hypomanie beschouwen als wenselijk. Per definitie leiden de hypomanische episoden niet tot aanzienlijke beperkingen. De beperkingen komen voort uit de depressieve episoden of het voortdurende patroon van onvoorspelbare stemmingswisselingen en het onbestendige onberekenbare interpersoonlijke en beroepsmatige functioneren. Iemand met een bipolaire-II-stoornis beschouwt een hypomanische episode niet altijd als pathologisch of nadelig, hoewel anderen last kunnen hebben van zijn of haar grillige gedrag. Voor het classificeren van een bipolaire-II-stoornis is de heteroanamnestische informatie van informanten als naaste familie of vrienden vaak onontbeerlijk.
Een hypomanische episode mag niet worden verward met de enkele dagen durende euthyme periode waarin het energieniveau en de activiteit zich herstellen en die kan volgen na remissie van een depressieve episode. Ondanks de grote verschillen in duur en ernst tussen een manische en een hypomanische episode, is de bipolaire-II-stoornis geen ‘lichtere vorm’ van de bipolaire-I-stoornis. In vergelijking met mensen met een bipolaire-I-stoornis ervaren mensen met een bipolaire-II-stoornis meer chroniciteit, en zij blijven gemiddeld langer in de depressieve fase van de aandoening, wat zwaar en/of invaliderend kan zijn.
Hoewel de classificatievereisten voor depressieve episoden in de context van een bipolaire-II-stoornis dan wel een depressieve stoornis identiek zijn, kunnen bepaalde klinische kenmerken van de episoden een aanwijzing zijn bij de differentiële diagnostiek. Zo is het naast elkaar voorkomen van insomnia en hypersomnia niet ongewoon bij depressieve episoden van zowel de bipolaire-II-stoornis als de depressieve stoornis, maar insomnia en hypersomnia zijn beide oververtegenwoordigd bij vrouwen met een bipolaire-II-stoornis. Evenzo komen atypische depressieve symptomen (hypersomnia, hyperfagie) veel voor bij beide stoornissen, maar vaker bij de bipolaire-II-stoornis.
Bij mensen met een bipolaire-II-stoornis komen vaak tijdens een hypomanische episode gelijktijdig depressieve symptomen voor, of manische symptomen in combinatie met een depressieve episode. Dit komt in meerderheid bij vrouwen voor, vooral hypomanie met gemengde kenmerken. Mensen met hypomanie met gemengde kenmerken benoemen hun symptomen vaak niet als hypomanie; zij ervaren deze als depressiviteit met een verhoogd(e) energieniveau of prikkelbaarheid.