CLASSIFICATIECRITERIA
F64.2
Genderdysforie bij kinderen
AEen duidelijke incongruentie tussen het ervaren/geuite gender en het toegewezen gender, gedurende minstens zes maanden, blijkend uit minstens zes van de volgende kenmerken (waarvan één criterium A1 moet zijn):
1Een sterk verlangen om van het andere gender te zijn, of volhouden tot het andere gender te behoren (of tot een alternatief gender dat afwijkt van het gender dat is toegewezen).
2Bij jongens (toegewezen gender) een sterke voorkeur voor crossdressing of het nabootsen van een meer vrouwelijke kledingstijl, of bij meisjes (toegewezen gender) een sterke voorkeur voor het dragen van uitsluitend typische jongenskleding en een sterk verzet tegen het dragen van typische meisjeskleding.
3Een sterke voorkeur voor rollen van het andere gender tijdens doen-alsof-spel of fantasiespel.
4Een sterke voorkeur voor speelgoed, spelletjes of activiteiten die stereotiep door het andere gender worden gebruikt of uitgevoerd.
5Een sterke voorkeur voor speelkameraadjes van het andere gender.
6Bij jongens (toegewezen gender) een sterk afwijzen van typisch(e) jongensspeelgoed, -spelletjes en -activiteiten en een sterk vermijden van wilde spelletjes; of bij meisjes (toegewezen gender) een sterk afwijzen van typisch(e) meisjesspeelgoed, -spelletjes en -activiteiten.
In plaats van op crossgenderidentificatie en een afkeer van het geboortegender ligt de focus in criterium A op de discrepantie tussen het ervaren of geuite gender (dat zowel mannelijk als vrouwelijk kan zijn, tussen beide genders in kan liggen, of een alternatief gender kan betreffen) en het toegewezen gender (in de meeste samenlevingen mannelijk of vrouwelijk). Bij volwassenen vereist de DSM-5 minstens twee van de zes kenmerken van de stoornis.
7Een sterke afkeer van de eigen lichamelijke geslachtskenmerken.
8Een sterk verlangen om de primaire en/of secundaire geslachtskenmerken van het ervaren gender te hebben.
Omdat een zekere mate van identificatie met het andere gender niet pathologisch is, is de DSM-IV-formulering ‘sterke en aanhoudende genderidentificatie met het andere geslacht’ in de DSM-5 weggelaten. In plaats daarvan is een minimaal duurvereiste van zes maanden geïntroduceerd en is de drempel verhoogd van vier tot zes kenmerken van ‘duidelijke incongruentie tussen het ervaren/geuite gender en het toegewezen gender’. Deze veranderingen zijn in lijn met de intensiteit en de duur van de crossgenderidentificatie en helpen het probleem van de overdiagnostiek te voorkomen.
BDe aandoening gaat gepaard met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of schoolse functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
De stoornis dient significante lijdensdruk of beperkingen te veroorzaken. Adolescenten en volwassenen met genderdysforie kunnen sociaal geïsoleerd raken, verslaafd raken aan alcohol of andere middelen om met hun gevoelens om te gaan, en problemen hebben op het werk of in hun relaties.
De stoornis dient in significante mate lijdensdruk of beperkingen te veroorzaken. Bij kinderen kan dit gaan om problemen rond de schoolprestaties, een weigering om naar school te gaan (waar ze kunnen worden blootgesteld aan beschimpingen en pesten), sociaal isolement en depressiviteit. Zij kunnen het gevoel hebben dat niemand hen begrijpt en dat ze geen aansluiting vinden bij andere kinderen.
→Specificeer indien:
Met een stoornis/variatie in de geslachtsontwikkeling (bijvoorbeeld een congenitaal adrenogenitaal syndroom zoals congenitale bijnierhyperplasie of een androgeenongevoeligheidssyndroom)
Coderingsaanwijzing Voeg de naam van de stoornis/variatie in de geslachtsontwikkeling toe aan de naam van de psychische stoornis (bijvoorbeeld: genderdysforie bij kinderen, met congenitale bijnierhyperplasie).
Het DSM-IV-criterium ‘de stoornis komt niet gelijktijdig met een lichamelijke interseks aandoening voor’ is vervangen door twee specificaties. Ten eerste is de specificatie ‘met een geslachtsdifferentiatiestoornis’ toegevoegd om de genderdysforie nader te beschrijven. Het gaat dan bijvoorbeeld om een aangeboren adrenogenitale aandoening zoals congenitale bijnierhyperplasie of een androgeenongevoeligheidssyndroom. Genderdysforie komt voor bij mensen met en zonder interseksuele aandoeningen, die nu worden aangeduid als geslachtsdifferentiatiestoornissen. Ten tweede is de specificatie ‘posttransitie’ toegevoegd. Deze toevoeging is ingegeven door de constatering dat veel mensen na de transitie niet langer aan de criteria voor genderdysforie voldoen, maar wel een chronische hormoonbehandeling of aanvullende geslachtsaanpassende chirurgie ondergaan, of incidenteel psychotherapie of counseling nodig hebben om zich te leren aanpassen aan het leven als iemand van het gewenste gender, en te leren omgaan met de sociale gevolgen van de transitie. Het concept ‘posttransitie’ is gemodelleerd naar de concepten ‘gedeeltelijk in remissie’ en ‘volledig in remissie’, die worden gebruikt als specificaties voor de stemmingsstoornissen.
F64.0
Genderdysforie bij adolescenten en volwassenen
AEen duidelijke incongruentie tussen het ervaren/geuite gender en het toegewezen gender, gedurende minstens zes maanden, blijkend uit minstens twee van de volgende kenmerken:
1Een duidelijke incongruentie tussen het ervaren/geuite gender versus de primaire en/of secundaire geslachtskenmerken (of bij jonge adolescenten: de geanticipeerde secundaire geslachtskenmerken).
2Een sterk verlangen om de eigen primaire en/of secundaire geslachtskenmerken niet te hebben, vanwege de duidelijke incongruentie met de ervaring/expressie van het eigen gender (of bij jonge adolescenten: een wens om te voorkomen dat de verwachte secundaire geslachtskenmerken zich ontwikkelen).
3Een sterk verlangen om de primaire en/of secundaire geslachtskenmerken van het andere gender te hebben.
4Een sterk verlangen om van het andere gender te zijn (of van een gender dat afwijkt van het toegewezen gender).
5Een sterk verlangen om als iemand van het andere gender te worden behandeld (of van een gender dat afwijkt van het toegewezen gender).
6Een sterke overtuiging de kenmerkende gevoelens en reacties van het andere gender te ervaren (of van een gender dat afwijkt van het toegewezen gender).
BDe aandoening gaat gepaard met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
→Specificeer indien:
Met een stoornis /variatie in de geslachtsontwikkeling (bijvoorbeeld een congenitaal adrenogenitaal syndroom zoals congenitale bijnierhyperplasie of een androgeenongevoeligheidssyndroom)
Coderingsaanwijzing Voeg de naam van de stoornis/variatie in de geslachtsontwikkeling toe aan de naam van de psychische stoornis (bijvoorbeeld: F64.0 genderdysforie bij adolescenten en volwassenen, met congenitale bijnierhyperplasie).
→Specificeer indien:
Posttransitie De betrokkene heeft een transitie doorgemaakt naar het fulltime leven als iemand met het ervaren gender (met of zonder wettelijke geslachtswijziging) en heeft minstens één geslachtsaanpassende behandeling ondergaan (of bereidt zich hierop voor) — namelijk: een reguliere hormoonbehandeling of geslachtsaanpassende chirurgie waarmee het ervaren gender wordt bevestigd (bijvoorbeeld een borstvergroting en/of vaginaplastiek bij iemand met het mannelijke geboortegeslacht; een transmasculiene borstoperatie en/of falloplastiek of metaïdoioplastiek bij iemand met het vrouwelijke geboortegeslacht).
Het DSM-IV-criterium ‘de stoornis komt niet gelijktijdig met een lichamelijke interseks aandoening voor’ is vervangen door twee specificaties. Ten eerste is de specificatie ‘met een geslachtsdifferentiatiestoornis’ toegevoegd om de genderdysforie nader te beschrijven. Het gaat dan bijvoorbeeld om een aangeboren adrenogenitale aandoening zoals congenitale bijnierhyperplasie of een androgeenongevoeligheidssyndroom. Genderdysforie komt voor bij mensen met en zonder interseksuele aandoeningen, die nu worden aangeduid als geslachtsdifferentiatiestoornissen. Ten tweede is de specificatie ‘posttransitie’ toegevoegd. Deze toevoeging is ingegeven door de constatering dat veel mensen na de transitie niet langer aan de criteria voor genderdysforie voldoen, maar wel een chronische hormoonbehandeling of aanvullende geslachtsaanpassende chirurgie ondergaan, of incidenteel psychotherapie of counseling nodig hebben om zich te leren aanpassen aan het leven als iemand van het gewenste gender, en te leren omgaan met de sociale gevolgen van de transitie. Het concept ‘posttransitie’ is gemodelleerd naar de concepten ‘gedeeltelijk in remissie’ en ‘volledig in remissie’, die worden gebruikt als specificaties voor de stemmingsstoornissen.