De specifieke leerstoornis is een ont­wik­ke­lings­stoor­nis met een neu­ro­bi­o­lo­gi­sche oorzaak van afwijkingen op cognitief niveau, die samenhangen met de gedragsmatige verschijnselen van de stoornis. De neu­ro­bi­o­lo­gi­sche oorsprong is een interactie van genetische, epigenetische en om­ge­vings­fac­to­ren, die invloed hebben op het vermogen van de hersenen om verbale of non-verbale informatie efficiënt en accuraat waar te nemen of te verwerken.

Een hoofdkenmerk van de specifieke leerstoornis vormen de aanhoudende moeilijkheden met het leren van fundamentele schoolse vaardigheden (criterium A), met een begin gedurende de jaren van formele scholing (de kindertijd). De belangrijkste schoolse vaardigheden zijn het accuraat en vloeiend lezen van afzonderlijke woorden, begrijpend lezen, schriftelijke uit­druk­kings­vaar­dig­he­den, en spellen, rekenen en cijfermatig redeneren (het oplossen van cijfermatige problemen). In tegenstelling tot praten of lopen, verworven mijlpalen in de ontwikkeling die met het rijpen van de hersenen samenhangen, moeten schoolse vaardigheden (bijvoorbeeld lezen, spellen, schrijven, rekenen) expliciet onderwezen en aangeleerd worden. De specifieke leerstoornis verstoort het normale leerpatroon van schoolse vaardigheden: deze stoornis is niet louter het gevolg van een gebrek aan leer­mo­ge­lijk­he­den of slecht onderwijs. De moeilijkheden met het leren beheersen van deze essentiële schoolse vaardigheden kunnen ook het leren van andere schoolvakken belemmeren (bijvoorbeeld geschiedenis, natuurkunde, maat­schap­pij­leer), maar die problemen kunnen worden toegeschreven aan moeilijkheden met het leren van de onderliggende schoolse vaardigheden. Moeilijkheden met het leren koppelen van letters aan de geluiden van de moedertaal — om gedrukte woorden te kunnen lezen (wat vaak dyslexie genoemd wordt, een specifieke leerstoornis met beperkingen in het lezen) — is een van de meest voorkomende vormen van de specifieke leerstoornis. De leer­moei­lijk­he­den manifesteren zich in een reeks van waarneembare, descriptieve gedragingen of symptomen (zoals weergegeven in de lijst met criteria A1–A6). Deze klinische symptomen kunnen geobserveerd worden, er kan naar gevraagd worden in de anamnese, of ze kunnen achterhaald worden uit eerder onderwijskundig of psychologisch onderzoek. De leer­moei­lijk­he­den zijn aanhoudend en niet van voorbijgaande aard. Bij kinderen en adolescenten wordt persisterend gedefinieerd als een beperkte vooruitgang in het leerproces (er zijn geen aanwijzingen dat het kind zijn achterstand ten opzichte van klasgenoten wegwerkt) gedurende minstens zes maanden, ondanks de extra ondersteuning thuis of op school. Als bijvoorbeeld moeilijkheden met het leren lezen van afzonderlijke woorden niet volledig of snel afnemen door onderricht in fonologische vaardigheden of woor­di­den­ti­fi­ca­tie­stra­te­gie­ën, kunnen die moeilijkheden wijzen op een specifieke leerstoornis. Aanwijzingen voor persisterende leer­moei­lijk­he­den kunnen worden afgeleid uit cumulatieve schoolrapporten, portfolio’s van het werk van het kind, schooltoetsen, of de anamnese. Bij volwassenen slaat ‘persisterend’ op blijvende moeilijkheden met alfabetisme en gecijferdheid die zich in de kindertijd en adolescentie manifesteren, zoals blijkt uit cumulatieve aanwijzingen afkomstig uit schoolrapporten, beoordeelde portfolio’s met werk, of eerdere beoordelingen.

Een tweede hoofdkenmerk is dat de prestaties in de aangetaste schoolse vaardigheden ver onder het verwachte niveau van de leef­tijds­ca­te­go­rie liggen (criterium B). Een goede klinische indicator van moeilijkheden met het leren van schoolse vaardigheden zijn de magere school­re­sul­ta­ten vergeleken met de leeftijdsgroep, of gemiddelde resultaten die alleen gehandhaafd kunnen worden dankzij bijzonder veel inspanning of ondersteuning. Bij kinderen veroorzaken de magere schoolse vaardigheden een aanzienlijke verstoring van de school­re­sul­ta­ten (zoals blijkt uit schoolrapporten en beoordelingen door leraren). Een andere klinische indicator, vooral bij volwassenen, is vermijding van activiteiten waarvoor schoolse vaardigheden nodig zijn. Bij volwassenen belemmeren slecht ontwikkelde schoolse vaardigheden ook de werkprestaties of algemene dagelijkse le­vens­ver­rich­tin­gen waarvoor die vaardigheden nodig zijn (zoals blijkt uit zelfrapportages of informatie van anderen). Hiervoor is echter ook psychometrische evidentie nodig, afkomstig van een individueel afgenomen, psychometrisch complete en cultureel toepasselijke test van de school­pres­ta­ties, waarvan de norm- en cri­te­ri­um­va­li­di­teit goed zijn. Schoolse vaardigheden zijn verdeeld over een continuüm en daarom is er ook geen natuurlijk punt dat gebruikt kan worden om onderscheid te maken tussen mensen met en mensen zonder een specifieke leerstoornis. Daarmee is elke drempelwaarde die gebruikt wordt om aan te geven wat significant slechte school­re­sul­ta­ten zijn (bijvoorbeeld schoolse vaardigheden die duidelijk slechter zijn dan gezien de leeftijd verwacht mag worden) in grote mate arbitrair. Lage scores op een of meer ge­stan­daar­di­seer­de tests of subtests binnen een leerdomein (minstens 1,5 stan­daard­de­vi­a­tie (sd) onder het po­pu­la­tie­ge­mid­del­de per leeftijdsgroep, wat neerkomt op een standaardscore van 78 of minder, wat onder het 7e percentiel ligt) zijn noodzakelijk om een zo groot mogelijke diagnostische zekerheid te verkrijgen. De precieze scores zullen echter verschillen afhankelijk van de specifieke ge­stan­daar­di­seer­de tests die worden gebruikt. Op basis van een klinisch oordeel kan een minder strenge drempelwaarde worden gebruikt (bijvoorbeeld 1,0 sd onder het po­pu­la­tie­ge­mid­del­de per leeftijdsgroep), als het bestaan van leer­moei­lijk­he­den wordt ondersteund door aanwijzingen afkomstig van klinisch onderzoek, geschiedenis van school­re­sul­ta­ten, schoolrapporten of testscores. Omdat ge­stan­daar­di­seer­de tests niet in alle talen beschikbaar zijn, kan de classificatie deels gebaseerd worden op een klinische beoordeling van de scores op beschikbare tests.

Een derde hoofdkenmerk is dat de leer­moei­lijk­he­den bij de meeste mensen al manifest moeten zijn in de vroege schooljaren (criterium C). Bij anderen kunnen de leer­moei­lijk­he­den echter pas tijdens latere schooljaren aan het licht komen, wanneer de zwaardere eisen de beperkte vermogens van de betrokkene te boven gaan.

Een ander hoofdkenmerk is dat de leer­moei­lijk­he­den om vier redenen als ‘specifiek’ worden beschouwd. Ten eerste zijn ze niet toe te schrijven aan een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis (verstandelijke beperking), globale ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand, gehoor- of vi­sus­stoor­nis­sen, of neurologische of motorische stoornissen (criterium D). De specifieke leerstoornis beïnvloedt het leervermogen van mensen die op andere vlakken normaal verstandelijk functioneren (een geschat IQ hoger dan circa 70 (± 5 punten vanwege meetfouten)). Vaak wordt de zinsnede ‘onverwacht achterblijvende school­pres­ta­ties’ gebruikt als definiërend kenmerk van de specifieke leerstoornis, om aan te geven dat de specifieke leerbeperkingen niet deel uitmaken van meer algemene leer­moei­lijk­he­den, zoals een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis of een globale ont­wik­ke­lings­ach­ter­stand. Ten tweede kunnen de leer­moei­lijk­he­den niet toegeschreven worden aan meer algemene externe factoren, zoals nadelige economische of om­ge­vings­fac­to­ren, chronisch spijbelen of een gebrek aan onderwijs in de omgeving van de betrokkene. Ten derde kunnen de leer­moei­lijk­he­den niet worden toegeschreven aan neurologische stoornissen (bijvoorbeeld een beroerte in de kindertijd), aan motorische stoornissen of gezichts- of ge­hoor­stoor­nis­sen, die vaak samengaan met moeilijkheden met het leren van schoolse vaardigheden maar van specifieke leerstoornissen zijn te onderscheiden doordat er sprake is van neurologische symptomen. Ten slotte kan de leer­moei­lijk­heid beperkt zijn tot één schoolse vaardigheid of één leerdomein (bijvoorbeeld het lezen van afzonderlijke woorden, hoofdrekenen).

De specifieke leerstoornis kan zich ook voordoen bij mensen die hoogbegaafd zijn. Deze mensen lukt het om redelijke school­re­sul­ta­ten te behalen dankzij compenserende strategieën, een uitzonderlijk grote inspanning of ondersteuning, tot de eisen of be­oor­de­lings­pro­ce­du­res (bijvoorbeeld toetsen met een tijdslimiet) een belemmering gaan vormen, waardoor ze niet langer in staat zijn om leerresultaten te laten zien of de vereiste taken af te maken. In deze gevallen zijn de behaalde scores van de betrokkene lager in verhouding tot het niveau of de prestaties in de andere domeinen, maar niet in vergelijking met de gemiddelde scores van de algemene bevolking.

Er moet een uitgebreid onderzoek worden gedaan. De classificatie specifieke leerstoornis kan alleen worden toegekend nadat het formele onderwijs is begonnen, maar kan op elk moment daarna bij kinderen, adolescenten of volwassenen toegekend worden, als er tenminste aanwijzingen zijn dat het begin in de jaren van de formele scholing ligt (de kindertijd). Geen enkele gegevensbron is op zichzelf voldoende voor het toekennen van een classificatie specifieke leerstoornis. De specifieke leerstoornis is een klinische classificatie die is gebaseerd op een synthese van de medische, ontwikkelings-, school- en familieanamnese van de betrokkene; de anamnese van de leer­moei­lijk­he­den, inclusief de eerdere en actuele uitingen daarvan; de invloed van de moeilijkheden op het schoolse, beroepsmatige of sociale functioneren; eerdere of actuele schoolrapporten; portfolio’s van werk waarvoor schoolse vaardigheden nodig zijn; toetsen in het onderwijs; en eerdere of actuele scores op individueel afgenomen ge­stan­daar­di­seer­de tests van school­pres­ta­ties. Als er een vermoeden is dat er sprake is van een verstandelijke beperking of van een zintuiglijke, neurologische of motorische stoornis, moet het klinische onderzoek voor de specifieke leerstoornis ook methoden bevatten die op die stoornissen van toepassing zijn. Voor een uitgebreid onderzoek is dus de betrokkenheid nodig van professionals die deskundig zijn op het gebied van de specifieke leerstoornis en psychologische/cognitieve tests. Omdat de specifieke leerstoornis meestal tot in de volwassenheid voortduurt, is herevaluatie slechts zelden nodig, tenzij er sprake is van opvallende veranderingen in de leer­moei­lijk­he­den (verbetering of verslechtering) of indien er om specifieke redenen een verzoek daartoe wordt ingediend.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.