Omgeving Om­ge­vings­fac­to­ren, waaronder so­ci­aal­eco­no­mi­sche omstandigheden (zoals een lage so­ci­aal­eco­no­mi­sche status) en blootstelling aan neurotoxinen, verhogen het risico op een specifieke leerstoornis of problemen met lezen en rekenen. Risicofactoren voor de specifieke leerstoornis of moeite met lezen en rekenen zijn onder andere prenatale of vroeg­kin­der­lij­ke blootstelling aan lucht­ver­ont­rei­ni­ging, nicotine, polygebromeerde difenylether of po­ly­chloor­bi­fe­nyl (vlamvertragers), lood en mangaan.

Genetica en fysiologie De specifieke leerstoornis lijkt in bepaalde families vaker voor te komen, in het bijzonder een stoornis in lezen, rekenen en spelling. Het relatieve risico op een specifieke leerstoornis in lezen of rekenen is aanzienlijk hoger (respectievelijk vier- tot achtmaal en vijf- tot tienmaal zo hoog) bij eer­ste­graads­fa­mi­lie­le­den van mensen met deze leer­moei­lijk­he­den, dan bij degenen die deze moeilijkheden niet hebben. Opvallend is dat deze cijfers variëren op basis van de methode waarop de diagnostische status van de ouder(s) is vastgesteld (objectieve tests of zelfrapportage). Een familieanamnese van lees­moei­lijk­he­den (dyslexie) en problemen met alfabetisme bij ouders voorspellen al­fa­be­tis­me­pro­ble­men of specifieke leerstoornissen bij hun nakomelingen, hetgeen betekent dat de combinatie van genetische en om­ge­vings­fac­to­ren een rol speelt.

De kans dat het leesvermogen en leesbeperkingen worden overgeërfd in alfabetische of ideografische talen (zoals Chinees, Japans) is groot, wat ook geldt voor de erfelijkheid van de meeste uitingen van het leervermogen en leerbeperkingen (geschatte erfelijkheid > 60%). De covariantie tussen de verschillende vormen van leer­moei­lijk­he­den is hoog, wat erop lijkt te wijzen dat genen die gerelateerd zijn aan het ene klinische beeld, sterk gecorreleerd zijn met genen die gerelateerd zijn aan een ander klinisch beeld. Vroeggeboorte of een zeer laag geboortegewicht geven een risico op de specifieke leerstoornis. Mensen met neu­ro­fi­bro­ma­to­se type 1 hebben een hoog risico op een specifieke leerstoornis; bij deze aandoening komt de specifieke leerstoornis in tot wel 75% van de gevallen voor.

Factoren die het beloop beïnvloeden Duidelijke problemen met onoplettend, internaliserend en externaliserend gedrag gedurende de voorschoolse jaren zijn een voorspeller van latere moeilijkheden met lezen en rekenen (maar niet nood­za­ke­lij­ker­wijs van een specifieke leerstoornis) en van het uitblijven van een positieve reactie op effectieve interventies op school. Taal­de­fi­ci­ën­ties in de voorschoolse jaren gaan sterk samen met latere beperkingen op het gebied van lezen (bijvoorbeeld woordherkenning, begrijpend lezen). Zo kan een achterstand of stoornis in spraak of taal, of een deficiënte cognitieve verwerking (zoals fonologische verwerking, werkgeheugen, benoemsnelheid) een voorspeller zijn van een latere specifieke leerstoornis in lezen en schriftelijke uit­druk­kings­vaar­dig­he­den. Daarnaast gaat een classificatie ADHD in de kindertijd samen met onderpresteren op het gebied van lezen en rekenen op volwassen leeftijd. Comorbiditeit met ADHD is een voorspeller van een slechtere uitkomst dan bij een specifieke leerstoornis zonder ADHD. Een systematische, intensieve en ge­ïn­di­vi­du­a­li­seer­de interventie, gebaseerd op evidence-based interventies, kan bij sommige mensen de leer­moei­lijk­he­den verminderen of bij anderen het gebruik van compenserende strategieën bevorderen, wat tot een minder slechte uitkomst kan leiden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.