Het moment waarop de specifieke leerstoornis begint, wordt herkend en wordt geclassificeerd, valt meestal in de ba­sis­school­ja­ren, de periode waarin kinderen leren lezen, spellen, schrijven en rekenen. Voorboden, zoals een taalachterstand of -deficiënties, moeite met rijmen of tellen, of moeite met de fijne motoriek met het oog op schrijven, doen zich echter gewoonlijk voor in de vroege kindertijd, voordat het formele school­on­der­richt begint. Deze kunnen zich uiten in het gedrag (zoals onwil om iets te leren; oppositioneel gedrag). De specifieke leerstoornis duurt het hele leven, maar het beloop en de klinische manifestatie wisselen, en hangen deels af van de interacties tussen de eisen die de omgeving stelt, de grootte en ernst van de leer­moei­lijk­he­den van de betrokkene, diens leervermogen, comorbiditeit en de beschikbare ondersteuning en interventies. Wel houden de problemen met vloeiend lezen, begrijpend lezen, spellen, schriftelijke uit­druk­kings­vaar­dig­he­den en gecijferdheid aan tot in de volwassenheid.

Met de leeftijd verandert de manier waarop de symptomen zich uiten, zodat de betrokkene gedurende zijn of haar leven een persisterend of veranderend patroon van leer­moei­lijk­he­den kan vertonen. Volwassenen met een specifieke leerstoornis ervaren beperkingen en belemmeringen in hun activiteiten en het participeren op het gebied van communicatie en de in­ter­per­soon­lij­ke omgang en in hun ge­meen­schaps­le­ven, sociale leven en maat­schap­pe­lij­ke leven.

Voorbeelden van symptomen die bij kinderen in de voorschoolse leeftijd kunnen worden gezien, zijn een gebrek aan belangstelling voor taalspelletjes (zoals herhalen, rijmen) en problemen met het leren van kinderliedjes. Voorschoolse kinderen met een specifieke leerstoornis kunnen geregeld terugvallen in babytaal, woorden verkeerd uitspreken en moeite hebben met het onthouden van de namen van letters, cijfers of dagen van de week. Ze herkennen soms de letters van hun eigen naam niet en hebben moeite om te leren tellen. Kleuters met specifieke leerstoornissen zijn vaak niet in staat om letters te herkennen en te schrijven, kunnen dikwijls hun eigen naam niet schrijven en gebruiken soms aanhoudend een zelfbedachte spelling, langduriger dan wat gezien de ontwikkeling kan worden verwacht. Ze kunnen het lastig vinden om gesproken woorden in lettergrepen op te delen (zoals ‘potlood’ in ‘pot’ en ‘lood’) en hebben moeite met het herkennen van woorden die rijmen (zoals huis, muis). Kleuters kunnen het ook moeilijk vinden om letters met hun klank in verband te brengen (zoals: de letter b maakt de klank /b/) en zijn mogelijk niet in staat om fonemen te herkennen (ze weten bijvoorbeeld niet welk woord in een reeks woorden (bijvoorbeeld huis, boek, kast) met dezelfde klanken begint als ‘kat’).

De specifieke leerstoornis manifesteert zich bij ba­sis­school­leer­lin­gen meestal als duidelijke moeite met het leren van letter-klankrelaties, het vloeiend decoderen van woorden, spelling of rekenkundige feiten; hardop lezen gebeurt langzaam, onnauwkeurig en moeizaam; en sommige kinderen hebben veel moeite om te begrijpen welke kwantiteit een gesproken of geschreven getal representeert. Kinderen in de onderbouw (groep 1 tot en met 3) kunnen problemen houden met het herkennen en hanteren van fonemen, zijn mogelijk niet in staat om veelvoorkomende een­let­ter­greep­woor­den te lezen (zoals mat of top) en zijn niet in staat om veelvoorkomende op een afwijkende manier gespelde woorden te herkennen (homofonen als eis/ijs, licht/ligt, wei/wij en kauwt/koud). Ze maken leesfouten waaruit blijkt dat ze problemen hebben met het verbinden van klanken en letters (zoals kurk in plaats van kruk, brast in plaats van barst) en vinden het lastig om reeksen getallen en letters te vormen. Kinderen in groep 1 tot en met 3 kunnen het ook lastig vinden om basissommen of methoden te onthouden voor optellen, aftrekken enzovoort, en klagen dat lezen en rekenen moeilijk zijn en proberen beide zo veel mogelijk te vermijden. Kinderen met een specifieke leerstoornis die in de middenbouw zitten (groep 4 tot en met 6) spreken woorden verkeerd uit of slaan delen van lange, meer­let­ter­gre­pi­ge woorden over (ze zeggen bijvoorbeeld pottenee in plaats van portemonnee, of nimolade in plaats van limonade) en halen woorden die hetzelfde klinken door elkaar (zoals fataal in plaats van vitaal). Ze kunnen moeite hebben om data, namen en telefoonnummers te onthouden, en kunnen het lastig vinden om hun huiswerk of toetsen op tijd af te maken. Kinderen in de middenbouw hebben vaak ook moeite met begrijpend lezen, waarbij ze al dan niet langzaam, moeizaam en onnauwkeurig lezen, en ze kunnen problemen hebben met het lezen van kleine functiewoorden (zoals dat, de, een, in). Ze spellen soms slecht en schrijven slordig. Soms hebben ze het eerste deel van een woord goed en beginnen dan te raden (ze lezen zwart bijvoorbeeld als zwaar). Ze kunnen expliciet zeggen dat ze bang zijn om hardop te lezen, of weigeren dat te doen.

Adolescenten kunnen wel hebben geleerd hoe ze woorden moeten decoderen, maar ze lezen nog steeds langzaam en met moeite, en de kans is groot dat ze duidelijke problemen hebben met begrijpend lezen en schriftelijke uit­druk­kings­vaar­dig­he­den (waaronder spellen), en rekenfeiten slecht beheersen en ook niet goed zijn in het oplossen van wiskundige problemen. Gedurende de adolescentie en de volwassenheid blijven mensen met een specifieke leerstoornis veel spelfouten maken en lezen ze afzonderlijke woorden en de omringende tekst langzaam en met moeite, waarbij ze het lastig vinden om meer­let­ter­gre­pi­ge woorden uit te spreken. Ze moeten stukken tekst vaak opnieuw lezen om deze te begrijpen of de essentie eruit te halen, en vinden het moeilijk om conclusies te trekken uit een geschreven tekst. Adolescenten en volwassenen vermijden mogelijk activiteiten waarbij ze moeten lezen of rekenen (lezen als ontspanning, het lezen van instructies). Volwassenen met een specifieke leerstoornis blijven problemen hebben met spellen, lezen langzaam en met moeite, of vinden het lastig om conclusies te trekken uit getalsmatige informatie uit schriftelijke documenten op hun werk. Ze vermijden mogelijk vrijetijds- of werk­ge­re­la­teer­de activiteiten waarbij ze moeten lezen of rekenen, of gebruiken alternatieve manieren om toegang te krijgen tot gedrukte tekst (zoals tekst-naar-spraak- en spraak-naar-tekstsoftware, audioboeken, audiovisuele media).

Deze stoornis kan zich ook uiten als zeer specifieke leer­moei­lijk­he­den die zich het hele leven voordoen, zoals een onvermogen om basiskennis over getallen te verwerven (zoals van twee getallen weten welk het hoogste getal is), of niet in staat zijn om woorden te herkennen of goed te spellen. Kinderen, adolescenten en volwassenen vermijden vaak activiteiten waarbij schoolse vaardigheden nodig zijn, of voeren die met grote tegenzin uit. Kinderen met een slechte lees- en re­ken­vaar­dig­heid ervaren meer sociaal-emotionele klachten (zoals somberheid en eenzaamheid) naarmate zij verder komen in het basisonderwijs. Gedurende het leven kunnen episoden voorkomen waarin de betrokkenen zeer angstig zijn of angst­stoor­nis­sen hebben, die zich soms uiten in somatische symptomen of paniekaanvallen en gepaard gaan met de specifieke en meer algemene uitingen van leer­moei­lijk­he­den.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.