De specifieke leerstoornis komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen (in een verhouding van ongeveer 2:1 tot 3:1) en kan niet worden toegeschreven aan factoren als een niet-representatieve steekproefselectie of verschillen in de definities en meetmethoden, taal, etnische achtergrond of sociaaleconomische status. Geslachtsverschillen bij dyslexie (specifieke leerstoornis, met beperkingen in het lezen) worden mogelijk gedeeltelijk door de verwerkingssnelheid beïnvloed.