Mensen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis beperken vaak het ondernemen van zelfstandige activiteiten waarvoor ze het huis uit moeten of worden gescheiden van hech­tings­per­so­nen (bij kinderen bijvoorbeeld: school­ver­mij­ding, niet op schoolreis gaan, moeite hebben met alleen slapen; bij adolescenten: niet van huis weggaan om te gaan studeren; bij volwassenen: bij de ouders blijven wonen, geen lange afstanden reizen zonder naasten, niet buitenshuis werken).

Bij volwassenen zijn de symptomen vaak uitputtend en hebben ze op meerdere gebieden in hun leven een negatieve invloed. Zo komt het voor dat volwassenen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis uit angst voor een mogelijke scheiding van hech­tings­per­so­nen hun werkschema of andere activiteiten aanpassen, en vaak hun frustratie uiten over de beperkingen die zij ervaren vanwege hun behoefte om in de buurt te blijven van, of dan toch virtueel contact te houden met, hun belangrijkste hech­tings­per­so­nen (bijvoorbeeld door hen de hele dag door herhaaldelijk te appen of te bellen). Mensen in hoge- en hogere-mid­den­in­ko­mens­lan­den bevestigen vaker dat zij beperkingen door de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis ervaren dan mensen uit lage- of lagere-mid­den­in­ko­mens­lan­den.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.