Perioden van verhoogde angst voor scheiding van hech­tings­per­so­nen horen bij de normale vroege ontwikkeling en kunnen een signaal zijn voor de ontwikkeling van veilige ge­hecht­heids­re­la­ties (bijvoorbeeld rond de leeftijd van 1 jaar, wanneer jonge kinderen eenkennig kunnen zijn). Een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis kan al beginnen tijdens de voorschoolse leeftijd en ook nog in de rest van de kindertijd, en ontstaat in een zeldzaam geval pas tijdens de adolescentie. Onder volwassenen (18 jaar en ouder) in achttien landen is de mediane leeftijd waarop de stoornis begint in hoge-inkomens- en hogere-mid­den­in­ko­mens­lan­den de late adolescentie, en in lage-inkomens- en lagere-mid­den­in­ko­mens­lan­den rond de 25 jaar. De meeste volwassenen melden een fluctuerend beloop van de stoornis gedurende hun leven, en mogelijk ook enkele symptomen in de kindertijd. Een afwisseling van perioden van exacerbatie en remissie is typerend. Soms kunnen de angst voor een mogelijke scheiding en het vermijden van situaties die een scheiding van thuis of het gezin met zich meebrengen (het ouderlijk huis verlaten om te gaan studeren, verhuizen naar een plek ver van hech­tings­per­so­nen) tot op volwassen leeftijd aanhouden. De meerderheid van de kinderen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis is op latere leeftijd echter vrij van angst­stoor­nis­sen waardoor ze worden belemmerd in hun functioneren.

De manier waarop de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis zich manifesteert, varieert afhankelijk van de leeftijd. Jongere kinderen kunnen met meer tegenzin naar school gaan of dit helemaal weigeren. Jongere kinderen geven minder vaak blijk van bezorgdheid over of specifieke vrees voor duidelijke bedreigingen voor de ouders, het ouderlijk huis of zichzelf, en hun angst blijkt vaak pas wanneer ze een scheiding ervaren. Naarmate kinderen opgroeien ontstaan die zorgen wel; deze hebben vaak betrekking op specifieke gevaren (zoals ongelukken, ontvoerd of overvallen worden, doodgaan) of vage zorgen over niet worden herenigd met hech­tings­per­so­nen. Bij volwassenen kan een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis hun vermogen beperken tot het omgaan met veranderde omstandigheden (bijvoorbeeld verhuizen, trouwen). Volwassenen met de stoornis zijn vaak overbezorgd om hun kinderen, partner, ouders of huisdieren, en voelen zich uitgesproken onprettig als ze van hen worden gescheiden. Hun werk of sociale leven kan worden verstoord door de behoefte om voortdurend na te gaan waar een belangrijke ander zich bevindt.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.