Omgeving De separatieangststoornis ontwikkelt zich vaak na het meemaken van een stressvolle levenservaring en vooral na een verlies (zoals het overlijden van een familielid of huisdier; ziekte van de persoon zelf of van een familielid; een verandering van school; echtscheiding van de ouders; een verhuizing naar een nieuwe buurt; immigratie; een ramp die gepaard is gegaan met perioden van scheiding van hechtingspersonen). Gebleken is dat gepest zijn als kind een risicofactor is voor het ontwikkelen van een separatieangststoornis. In het leven van jongvolwassenen zijn andere voorbeelden van ingrijpende levenservaringen: het verlaten van het ouderlijk huis om op zichzelf te gaan wonen; het aangaan van een liefdesrelatie; en beginnend ouderschap. Zowel tijdens de kindertijd als op volwassen leeftijd kan een separatieangststoornis samenhangen met een voorgeschiedenis van overbezorgd en bemoeizuchtig gedrag van ouders. De separatieangststoornis blijkt binnen families vaker voor te komen.
Genetica en fysiologie Er zijn aanwijzingen dat de separatieangststoornis erfelijk is. In een uit tweelingen van 6 jaar oud bestaande steekproef uit de algemene bevolking werd de mate van erfelijkheid geschat op 73%, met hogere percentages bij meisjes. Kinderen met een separatieangststoornis vertonen een opvallend hogere gevoeligheid voor respiratoire stimulatie met behulp van met CO2 verrijkte lucht.