Als kinderen en volwassenen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis worden gescheiden van belangrijke hech­tings­per­so­nen, kunnen ze zich terugtrekken van sociaal contact, apathisch worden, verdrietig zijn, of moeite hebben om zich te concentreren op hun werk of spel. Afhankelijk van hun leeftijd kan er vrees zijn voor dieren, monsters, het donker, overvallers, inbrekers, kidnappers, auto-ongelukken, reizen per vliegtuig, of voor andere situaties die in de beleving van het kind gevaarlijk zijn voor het gezin of hem- of haarzelf. Sommigen kunnen als ze weg zijn van huis heimwee hebben en zich uitzonderlijk ellendig voelen. Bij kinderen kan de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis leiden tot schoolweigering, wat op zijn beurt weer kan leiden tot moeilijkheden op school en tot sociaal isolement. Kinderen die extreem van streek raken door het vooruitzicht van een scheiding, kunnen boos of soms agressief worden tegen degene die de scheiding afdwingt. Jonge kinderen die alleen zijn kunnen — vooral ’s avonds in het donker — ongewone perceptuele ervaringen beschrijven (bijvoorbeeld dat ze iemand zien die in hun kamer naar binnen staat te kijken, angstwekkende wezens naar hen zien grijpen, of het gevoel hebben dat er ogen naar hen staren). Kinderen met deze stoornis kunnen door hun omgeving worden beschreven als veeleisend, bemoeizuchtig en voortdurend aandacht nodig hebbend, en volwassenen kunnen overkomen als afhankelijke en overbezorgde ouders. Volwassenen met deze stoornis zijn geneigd hun belangrijkste hech­tings­per­so­nen de hele dag door te appen of te bellen, en regelmatig te controleren waar ze zijn. De overmatige eisen van de betrokkene worden voor de andere gezinsleden vaak een bron van frustratie, en leiden dan tot ergernissen en conflicten binnen het gezin.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.