Het hoofdkenmerk van de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis is een overmatige angst of vrees voor een scheiding van thuis of van hech­tings­per­so­nen. De angst is groter dan op grond van de ont­wik­ke­lings­fa­se van de betrokkene kan worden verwacht (criterium A). Personen met de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis hebben symptomen waarmee aan ten minste drie van de hiernavolgende criteria wordt voldaan. Ze raken steeds opnieuw overmatig van streek op momenten dat ze een scheiding van thuis of van belangrijke hech­tings­per­so­nen verwachten of ervaren (criterium A1). Ze maken zich zorgen over het welzijn of doodgaan van hech­tings­per­so­nen, vooral als ze van hen gescheiden zijn, en ze kunnen er niet buiten om te weten waar hun hech­tings­per­so­nen zijn en willen met hen in contact blijven (criterium A2). Ook maken ze zich zorgen dat hunzelf iets akeligs overkomt, zoals verdwalen, ontvoerd worden of een ongeluk krijgen, waardoor ze niet zouden kunnen worden herenigd met hun belangrijkste hech­tings­per­soon (criterium A3). Mensen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis vertonen vanwege hun scheidingsangst tegenzin om alleen naar buiten te gaan, of weigeren dit (criterium A4). Ze vertonen een aanhoudende en overmatige angst of tegenzin om thuis of in andere omgevingen alleen of zonder hun belangrijkste hech­tings­per­soon te zijn. Bij kinderen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis komt het voor dat ze niet in staat zijn om alleen een kamer in te gaan of erin te blijven, en zij kunnen ‘vastklampend’ gedrag vertonen, en blijven in huis dan dicht bij hun ouder of ‘schaduwen’ hem of haar, of eisen als ze naar een andere kamer gaan dat er iemand bij ze blijft (criterium A5). Ze vertonen aanhoudende tegenzin, of weigeren, om te gaan slapen als er geen belangrijke hech­tings­per­soon in de buurt is, of ze weigeren om ergens anders dan thuis te slapen (criterium A6). Kinderen met deze stoornis hebben het vaak moeilijk rond bedtijd en kunnen erop staan dat er iemand bij ze blijft tot ze in slaap vallen. In de nacht gaan ze naar het bed van hun ouders (of dat van een belangrijke ander, zoals een broertje of zusje). Kinderen kunnen er moeite mee hebben, of weigeren, om op schoolreisje te gaan, bij vriendjes te logeren, of een boodschap te doen. Volwassenen kunnen het vervelend vinden om zelfstandig te reizen (bijvoorbeeld niet thuis en zonder hech­tings­per­so­nen in een hotelkamer overnachten). Er kan sprake zijn van herhaalde nachtmerries waarin de separatieangst van de betrokkene tot uiting komt (bijvoorbeeld verwoesting van het gezin door een brand, moord of andere ramp) (criterium A7). Kinderen die een scheiding van een belangrijke hech­tings­per­soon zien aankomen, hebben vaak lichamelijke symptomen (zoals hoofdpijn, buikklachten, misselijkheid, braken) (criterium A8). Car­di­o­vas­cu­lai­re symptomen, zoals hartkloppingen, duizeligheid en het gevoel flauw te zullen vallen, zijn zeldzaam bij jongere kinderen, maar kunnen wel optreden bij adolescenten en volwassenen.

Bij kinderen en adolescenten tot 18 jaar moeten de symptomen ten minste vier weken aanhouden, en bij volwassenen duren ze meestal zes maanden of langer (criterium B). Voor volwassenen dient het duurcriterium echter als een globale richtlijn te worden gehanteerd; hier is enige flexibiliteit toegestaan. De symptomen moeten klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium C).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.