Ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis De se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis onderscheidt zich van een ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis doordat de angst bij een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis voornamelijk werkelijke of ingebeelde scheiding van hech­tings­per­so­nen betreft. Als er wel sprake is van andere zorgen, staan deze in het klinische beeld niet op de voorgrond.

Paniekstoornis Als een scheiding dreigt van personen of dieren waaraan de betrokkene gehecht is, kan dit leiden tot extreme angst of een paniekaanval. Maar in plaats van onverwachts te worden overvallen door een paniekaanval en daarbij het gevoel te hebben dood te gaan of ‘gek’ te worden, zoals bij de paniekstoornis het geval is, gaan de paniekaanvallen bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis over de mogelijkheid van een scheiding van hech­tings­per­so­nen en de bezorgdheid dat hun iets ergs overkomt.

Agorafobie Anders dan mensen met agorafobie hebben mensen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis geen vrees om opgesloten te zitten, of om zich niet te kunnen redden in situaties waarvan ze het gevoel hebben dat ze er moeilijk uit kunnen ontsnappen ingeval zij paniekachtige symptomen of andere symptomen hebben die hun functioneren onmogelijk maken. Zij zijn juist bang om weg te zijn van veilige plaatsen die direct te maken hebben met hun belangrijkste hech­tings­per­so­nen.

Nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis School­ver­mij­ding (spijbelen) komt algemeen voor bij de nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis, maar scheidingsangst is dan niet ver­ant­woor­de­lijk voor de absentie; het kind of de adolescent blijft juist meestal weg van huis, in plaats van naar huis te gaan.

Sociale-angststoornis Schoolweigering is mogelijk toe te schrijven aan een sociale-angststoornis. Wanneer dit het geval is, wordt de school­ver­mij­ding verklaard door de angst om negatief beoordeeld te worden door anderen, en niet door de bezorgdheid over het gescheiden zijn van hech­tings­per­so­nen.

Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis Na een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis, bijvoorbeeld een ramp, komt angst voor een scheiding van geliefden algemeen voor, vooral in die gevallen waarin tijdens de traumatiserende gebeurtenis ook sprake is van perioden van scheiding van geliefden. Bij een post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis (PTSS) zijn de centrale symptomen indringende herinneringen of het vermijden van herinneringen aan de traumatiserende gebeurtenis zelf, terwijl bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis de bezorgdheid en de vermijding betrekking hebben op het welzijn en de scheiding van hech­tings­per­so­nen.

Ziek­te­angst­stoor­nis Bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis gaat het om bezorgdheid over de gezondheid en het welzijn van naasten. Mensen met een ziek­te­angst­stoor­nis maken zich daarentegen zorgen over specifieke somatische ziekten die ze misschien hebben, en niet over de scheiding van personen of dieren waaraan zij gehecht zijn.

Persisterende-rouwstoornis Intens verlangen naar de overledene, intens verdriet en emotionele pijn, en gepreoccupeerd zijn met de overledene of de omstandigheden van diens overlijden, zijn reacties die van iemand met een persisterende-rouwstoornis kunnen worden verwacht, terwijl bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis de vrees om mogelijk gescheiden te worden van belangrijke hech­tings­per­so­nen centraal staat.

Depressieve- en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen Deze stoornissen kunnen gepaard gaan met tegenzin om het huis uit te gaan, maar het hoofdprobleem is dan niet bezorgdheid of de vrees dat hech­tings­per­so­nen iets ergs zal overkomen, maar eerder een geringe motivatie om in contact te treden met de buitenwereld. Mensen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis kunnen echter tijdens een scheiding of het anticiperen daarop wel gedeprimeerd raken.

Oppositionele-opstandige stoornis Kinderen en adolescenten met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis kunnen in situaties waarin ze worden gedwongen om zich te laten scheiden van hech­tings­per­so­nen, oppositioneel gedrag vertonen. De op­po­si­ti­o­ne­le­op­stan­di­ge stoornis dient alleen te worden overwogen als er sprake is van aanhoudend oppositioneel gedrag dat niet samenhangt met het verwachten of ervaren van een scheiding van hech­tings­per­so­nen.

Psychotische stoornissen In tegenstelling tot de hallucinaties bij psychotische stoornissen zijn de ongebruikelijke perceptuele ervaringen die kunnen optreden bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis meestal gebaseerd op een misperceptie van een werkelijk aanwezige stimulus, treden ze alleen in bepaalde situaties op (bijvoorbeeld ’s avonds en ’s nachts), en verdwijnen ze door de aanwezigheid van een hech­tings­per­soon.

Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen De afhankelijke-per­soon­lijk­heids­stoor­nis wordt gekenmerkt door de geneigdheid om zonder aanzien des persoons op anderen te leunen, terwijl de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis draait om bezorgdheid over de nabijheid en veiligheid van de voornaamste hech­tings­per­so­nen. Ook bij de borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis is de angst voor verlating door geliefden een kenmerk, maar anders dan bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis staat daarnaast een aantal andere problemen centraal, namelijk problemen met de identiteit, de autonomie, het in­ter­per­soon­lij­ke functioneren en de impulsiviteit.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.