F93.0
CLASSIFICATIECRITERIA
ANiet bij de ontwikkelingsfase passende, excessieve angst of vrees om gescheiden te worden van diegenen aan wie de betrokkene gehecht is, zoals blijkt uit minstens drie van de volgende kenmerken:
1Recidiverend excessief van streek zijn door het verwachten of ervaren van een scheiding van thuis of van belangrijke hechtingspersonen.
2Persisterende en excessieve bezorgdheid over het verliezen van belangrijke hechtingspersonen of bezorgdheid dat hun iets kan overkomen, zoals ziekte, verwonding, rampen of overlijden.
3Persisterende en excessieve bezorgdheid over het meemaken van een ongelukkige gebeurtenis (zoals verdwalen, ontvoerd worden, een ongeluk krijgen, ziek worden) die zou leiden tot scheiding van een belangrijke hechtingspersoon.
4Persisterende tegenzin of weigering om, vanwege scheidingsangst, naar buiten, weg van huis, naar school, naar het werk of ergens anders naartoe te gaan.
5Persisterende en excessieve vrees of tegenzin om thuis of in andere settings alleen of zonder belangrijke hechtingspersonen te zijn.
6Persisterende tegenzin of weigering om ergens anders dan thuis te slapen of te gaan slapen zonder dat een belangrijke hechtingspersoon in de buurt is.
7Herhaalde nachtmerries over het thema separatie.
8Herhaalde lichamelijke klachten (zoals hoofdpijn, buikpijn, misselijkheid, braken) op het moment dat een scheiding van belangrijke hechtingspersonen plaatsvindt of wordt verwacht.
Hoewel een beetje scheidingsangst normaal is in verschillende ontwikkelingsfasen, kan de classificatie separatieangststoornis passend zijn wanneer de angst of vrees overdreven is en het functioneren belemmert. Om de relevantie voor volwassenen met de separatieangststoornis te verhogen, zijn in criterium A enkele termen toegevoegd (bijvoorbeeld de toevoeging van ‘werk’ in criterium A4) of gewist (bijvoorbeeld de verwijdering van ‘volwassenen’ in DSM-IV-criterium A5, omdat hechtingsfiguren niet altijd volwassenen zijn; hechtingspersonen voor volwassenen kunnen partners zijn, maar ook kinderen).
BDe angst, vrees of vermijding is persisterend aanwezig; bij kinderen en adolescenten gedurende minstens vier weken, bij volwassenen over het algemeen gedurende zes maanden of langer.
Om de overdiagnostiek van voorbijgaande angsten te verminderen, wordt de tijdsduur gespecificeerd als ten minste zes maanden bij volwassenen (in plaats van de vereiste vier weken in de DSM-IV, die in de DSM-5 nog steeds gelden voor kinderen en adolescenten). Bij uitzondering zijn kortere looptijden mogelijk in geval van acuut ontstaan of verergering van ernstige symptomen.
CDe stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
De separatieangststoornis hangt samen met significante beperkingen. Mensen met de stoornis kunnen weigeren naar school of het werk te gaan, klagen over lichamelijke problemen en sociaal geïsoleerd raken. Een onbehandelde stoornis hangt samen met lagere schoolprestaties, werkloosheid, en ofwel ongehuwd blijven of huwelijksproblemen ervaren. Omdat scheidingsangst gelijktijdig met andere psychische stoornissen kan voorkomen, moet de clinicus bepalen of de symptomen van de patiënt volledig voldoen aan de criteria voor een onafhankelijke classificatie separatieangststoornis.
DDe stoornis kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, bijvoorbeeld weigeren om van huis te gaan vanwege overmatig verzet tegen verandering bij de autismespectrumstoornis; wanen of hallucinaties over separatie bij psychotische stoornissen; de weigering om zonder vertrouwd gezelschap naar buiten te gaan bij agorafobie; bezorgdheid over een slechte gezondheid of dat belangrijke anderen iets ergs overkomt bij de gegeneraliseerde-angststoornis; of bezorgdheid over het hebben van een ziekte bij de ziekteangststoornis.
De separatieangststoornis hangt samen met significante beperkingen. Mensen met de stoornis kunnen weigeren naar school of het werk te gaan, klagen over lichamelijke problemen en sociaal geïsoleerd raken. Een onbehandelde stoornis hangt samen met lagere schoolprestaties, werkloosheid, en ofwel ongehuwd blijven of huwelijksproblemen ervaren. Omdat scheidingsangst gelijktijdig met andere psychische stoornissen kan voorkomen, moet de clinicus bepalen of de symptomen van de patiënt volledig voldoen aan de criteria voor een onafhankelijke classificatie separatieangststoornis.