Het hoofdkenmerk van de gegeneraliseerde-angststoornis is een overmatige angst en bezorgdheid over (het angstig voorvoelen van) een aantal gebeurtenissen of activiteiten. De intensiteit, duur of frequentie van de angst of bezorgdheid is overdreven gezien de werkelijke kans dat de geanticipeerde gebeurtenis zich voordoet, of, als deze zich inderdaad voordoet, van de werkelijke gevolgen daarvan. De betrokkene heeft er moeite mee die bezorgdheid onder controle te houden en ervoor te zorgen dat zorgelijke gedachten het hem of haar niet te moeilijk maken om de aandacht bij taken te houden. Volwassenen met een gegeneraliseerde-angststoornis maken zich vaak zorgen over levensomstandigheden die deel uitmaken van de dagelijkse routine, zoals mogelijke verantwoordelijkheden op het werk, gezondheid en financiën, de gezondheid van gezinsleden, dat hun kinderen iets ergs overkomt, of zaken van weinig belang (zoals huishoudelijke karweitjes doen, of te laat komen voor een afspraak). Kinderen met een gegeneraliseerde-angststoornis hebben de neiging zich overmatig zorgen te maken over hun competentie of de kwaliteit van hun prestaties. Gedurende het beloop van de stoornis kan het onderwerp van de bezorgdheid veranderen.
Verschillende kenmerken onderscheiden de gegeneraliseerde-angststoornis van niet-pathologische angst. Ten eerste zijn de zorgen bij de gegeneraliseerde-angststoornis overdreven, en belemmeren deze de persoon aanzienlijk in zijn of haar psychosociale functioneren, terwijl zorgen die bij het dagelijks leven horen, niet overdreven zijn en als beter hanteerbaar worden ervaren, en iemand deze ook van zich af kan zetten zodra dringender zaken de aandacht vragen. Ten tweede hebben de zorgen bij de gegeneraliseerde-angststoornis betrekking op meer levensgebieden; zijn ze sterker aanwezig en lijden mensen er meer onder; zijn ze langduriger; en duiken ze vaak op zonder aanleiding. Hoe breder het scala van levensomstandigheden waarover iemand zich zorgen maakt (zoals de financiën, de veiligheid van de kinderen, de prestaties op het werk), des te waarschijnlijker is het dat zijn of haar symptomen voldoen aan de criteria voor de gegeneraliseerde-angststoornis. Ten derde gaan dagelijkse zorgen veel minder vaak gepaard met lichamelijke symptomen (zoals rusteloosheid of een opgedraaid of gespannen gevoel). Mensen met een gegeneraliseerde-angststoornis beschrijven dat zij lijden door hun constante bezorgdheid, en beperkingen ervaren als gevolg hiervan voor hun functioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of op een ander belangrijk levensgebied.
De angst en bezorgdheid gaan gepaard met minstens drie van de volgende extra symptomen: rusteloosheid of een opgedraaid of gespannen gevoel, snel vermoeid raken, moeite met zich concentreren of ergens niet op kunnen komen, prikkelbaarheid, spierspanning, slaapproblemen; bij kinderen hoeft slechts één van deze extra symptomen aanwezig te zijn.