Temperament Vrouwen met voorafgaande stemmings- en angststoornissen hebben vier keer meer kans om symptomen van de genitopelvienepijn-/penetratiestoornis te ontwikkelen in vergelijking met vrouwen zonder deze voorafgaande stoornissen. Psychosociale factoren (bijvoorbeeld een catastroferende reactie op pijn, zelfeffectiviteit bij pijn, vermijding van pijn, negatieve stemming) en interpersoonlijke factoren (bijvoorbeeld onveilige hechting, negatieve partnerreacties op de pijn, seksuele motieven met als doel het voorkomen van negatieve gevolgen voor de relatie) kunnen de symptomen verergeren of in stand houden.
Omgeving Vrouwen met een genitopelvienepijn-/penetratiestoornis hebben vaker een voorgeschiedenis van seksueel en/of fysiek misbruik en angst voor misbruik dan vrouwen zonder deze stoornis, hoewel dit niet geldt voor alle vrouwen die de symptomen vertonen.
Genetica en fysiologie Vrouwen die tijdens vaginale penetratie oppervlakkige pijn ervaren, beschrijven vaak dat de pijn is begonnen nadat ze meerdere vaginale infecties hebben gehad. Hoewel de infecties zijn genezen en er geen lichamelijke restverschijnselen bekend zijn, is de pijn gebleven. Pijn tijdens het inbrengen van een tampon of het onvermogen om tampons in te brengen in de periode voorafgaand aan de eerste pogingen tot seksueel contact is een belangrijke risicofactor voor de genitopelvienepijn-/penetratiestoornis.
Bijkomende biomedische risicofactoren zijn: vroege puberteit, ontstekingen, vroege start met orale anticonceptiva, proliferatie van vulvaire pijnreceptoren (dat wil zeggen: een toename van het aantal receptoren) en sensibilisatie (dat wil zeggen dat aanraking als pijn kan worden ervaren) en lagere drempels voor aanraking en pijn. Door afwijkingen van de bekkenbodemspieren in rust, waaronder hypertonie, gebrekkige spiercontrole, overgevoeligheid en veranderde contractiliteit, kan de vaginaopening gesloten blijven, wat de penetratie verhindert.