Het is niet duidelijk hoe de ontwikkeling en het beloop van de ge­ni­to­pel­viene­pijn-/pe­ne­tra­tie­stoor­nis eruitzien. Aangezien vrouwen zich vaak pas voor behandeling melden op het moment dat ze problemen in hun seksuele functioneren ervaren, is het over het algemeen lastig om de ge­ni­to­pel­viene­pijn-/pe­ne­tra­tie­stoor­nis in te delen in een subtype levenslang (primair) of verworven (secundair). Hoewel vrouwen dus vaak pas onder de aandacht van een clinicus komen nadat ze seksueel actief zijn geworden, zijn er vaak wel al eerder klinische signalen. Moeite met of het vermijden van het gebruik van tampons is bijvoorbeeld een belangrijke voorspeller van latere problemen. Maar het kan ook zijn dat moeite met vaginale penetratie pas duidelijk wordt vanaf de eerste pogingen tot gemeenschap tijdens seksuele activiteit. En ook nadat voor het eerst is geprobeerd tot gemeenschap te komen, kunnen die pogingen nog weinig frequent of onregelmatig zijn. In gevallen waarin het lastig is om vast te stellen of de symptomen hetzij al het hele leven bestaan hetzij verworven zijn, is het nuttig om te onderzoeken of er een periode kan worden benoemd met seksuele gemeenschap zonder pijn, angst en spanning. Wanneer kan worden bevestigd dat een vrouw een dergelijke periode heeft meegemaakt, kan de ge­ni­to­pel­viene­pijn-/pe­ne­tra­tie­stoor­nis ‘verworven’ worden genoemd. Zijn de symptomen eenmaal aanwezig gedurende een periode van ongeveer zes maanden, dan wordt de kans op spontaan en zinvol herstel van de symptomen kleiner, zo blijkt. Klachten over genitale of onderbuikspijn worden het meest gezien op jongvolwassen leeftijd en in de periode rond en na de menopauze. Mogelijk is er in de post-partumperiode een toename in het aantal klachten over genitale of onderbuikspijn.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.