De benaming genitopelvienepijn-/penetratiestoornis heeft betrekking op vier symptoomdimensies die vaak comorbide voorkomen: (1) moeite met het hebben van gemeenschap; (2) genitale pijn en/of onderbuikspijn; (3) vrees voor pijn of vaginale penetratie; en (4) spanning in de bekkenbodemspieren (criterium A). Aangezien het hebben van ernstige moeilijkheden met een van deze symptoomdimensies vaak al voldoende is om klinisch significante lijdensdruk te veroorzaken, kan een classificatie worden vastgesteld op basis van duidelijke moeilijkheden in slechts één symptoomdimensie. Maar ook als de classificatie al geldt op grond van slechts één symptoomdimensie, moeten toch alle vier de symptoomdimensies worden onderzocht.
Duidelijke moeite met vaginale penetratie tijdens de gemeenschap (criterium A1) kan variëren van een totaal onvermogen in welke situatie dan ook om vaginale penetratie te ervaren (bijvoorbeeld tijdens de gemeenschap, bij gynaecologisch onderzoek, of bij het inbrengen van een tampon) tot een veranderlijk beeld waarbij in de ene situatie penetratie eenvoudig mogelijk is maar in een andere situatie niet. In de behandelpraktijk ziet men het vaakst vrouwen die moeite hebben met de penetratie tijdens de gemeenschap met hun partner, maar ook moeilijkheden met het ondergaan van gynaecologisch onderzoek worden gezien.
Duidelijke vulvovaginale of onderbuikspijn tijdens de vaginale gemeenschap of bij pogingen tot penetratie (criterium A2) betekent pijn op verschillende plekken in het genitale en bekkengebied. Bij het onderzoek moeten de precieze locatie en de intensiteit van de pijn worden vastgesteld. Karakteristieke kwalificaties zijn dat de pijn oppervlakkig is (vulvovaginaal of optredend tijdens de gemeenschap) of diep (onderbuikspijn; wordt pas gevoeld tijdens diepere penetratie). Vaak is er geen lineair verband tussen de intensiteit van de pijn en de mate waarin de vrouw hieronder lijdt of de mate waarin de pijn vaginale penetratie of andere seksuele activiteiten in de weg staat. Soms treedt de genitale of onderbuikspijn alleen op wanneer deze wordt opgewekt (door gemeenschap of mechanische stimulatie); in andere gevallen kan de pijn zowel spontaan optreden als opgewekt worden. Het is ook nuttig om genitale of onderbuikspijn kwalitatief te beschrijven (bijvoorbeeld als ‘brandende’, ‘stekende’, ‘bonkende’ pijn, of als ‘pijnscheuten’). De pijn kan nog een poos na het beëindigen van de vaginale geslachtsgemeenschap voortduren, en kan ook optreden tijdens het urineren. De pijn die tijdens de vaginale gemeenschap wordt ervaren, kan vaak worden gereproduceerd tijdens een gynaecologisch onderzoek.
Duidelijke vrees of angst voor vulvovaginale of onderbuikspijn in anticipatie op, tijdens, of als gevolg van vaginale penetratie (criterium A3) wordt veel beschreven door vrouwen die tijdens de vaginale penetratie geregeld pijn hebben ervaren. Deze op zichzelf begrijpelijke reactie kan leiden tot het vermijden van seksuele of intieme situaties. Die sterke samenhang tussen deze duidelijke angst en de ervaring van pijn kan in andere gevallen ook ontbreken, maar de angst leidt ook dan tot het vermijden van gemeenschap en vaginale penetratie. Deze reactie wordt door sommigen omschreven als vergelijkbaar met een fobische reactie, met als fobisch object vaginale penetratie of angst voor pijn.
Duidelijke spanning in, of het aanspannen van, de bekkenbodemspieren tijdens pogingen tot vaginale penetratie (criterium A4) kan variëren van op reflexen lijkende spasmen van de bekkenbodem in reactie op pogingen de vagina binnen te komen, tot ‘normale, willekeurige’ spierspanning in reactie op de geanticipeerde of al eerder ervaren pijn of als een angstreactie. Wanneer sprake is van ‘normale, afwerende’ reacties kan penetratie in omstandigheden van ontspanning wel mogelijk zijn. Welke bekkenbodemdisfunctie er precies speelt, kan het best worden onderzocht en gediagnosticeerd door een gespecialiseerde gynaecoloog of een bekkenbodemfysiotherapeut.
De symptomen van de genitopelvienepijn-/penetratiestoornis kunnen met oudere termen worden aangeduid, waaronder ‘dyspareunie’ (pijn tijdens de geslachtsgemeenschap) en ‘vaginisme’ (gedefinieerd als een onwillekeurig aanspannen van de spieren waardoor penetratie pijnlijk of onmogelijk wordt). Specifieke somatische aandoeningen, zoals vulvodynie (chronische idiopathische vulvaire pijn die minstens drie maanden aanhoudt) en geprovoceerde vestibulodynie (vulvodynie door aanraking van de vulva, gelokaliseerd in het vaginaal vestibulum), kunnen een primaire oorzaak zijn van de genitopelvienepijn-/penetratiestoornis en kunnen een aandachtspunt zijn in het onderzoek naar de stoornis. Vrouwen die een diagnose hebben gekregen van een dergelijke aandoening, rapporteren aanzienlijke lijdensdruk, en hun symptomen voldoen waarschijnlijk aan de criteria voor de genitopelvienepijn-/penetratiestoornis.