Omgeving Er zijn enkele om­ge­vings­fac­to­ren tijdens de vroege her­sen­ont­wik­ke­ling vastgesteld, waaronder een hoge leeftijd van de vader en pre- en perinatale ongewenste voorvallen (zoals een verminderde foetale groei, intra-partumkoorts bij de moeder, roken door de moeder, ernstige psychosociale stress bij de moeder, vroeggeboorte, stuitligging en keizersnede).

Genetica en fysiologie Genetische factoren beïnvloeden de uiting en de ernst van de tics. De erfelijkheid van ticstoornissen wordt geschat tussen 70 en 85% en er zijn geen verschillen in het familiaire risico of de erfelijkheid tussen jongens en meisjes. Er zijn belangrijke risicoallelen gevonden voor de stoornis van Gilles de la Tourette en zeldzame genetische varianten in families met ticstoornissen. Daarnaast zijn er ge­meen­schap­pe­lij­ke genetische varianten geïdentificeerd. Deze zijn in verschillende gradaties bij alle ticstoornissen aanwezig, en deze gradaties correleren met de ernst van de aandoening. Het is zelfs waarschijnlijk, op basis van zowel fenomenologie als genetische achtergrond, dat ticstoornissen zich op een doorlopend ont­wik­ke­lings­spec­trum bevinden.

Chronische ticstoornissen hebben een gedeelde genetische variantie met OCS, ADHD en andere neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen, inclusief de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis. Daarnaast hebben mensen met een ticstoornis een verhoogd risico op auto-immuunziekten (zoals has­hi­mo­to­thy­re­o­ï­di­tis). Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het immuunsysteem en neuro-inflammatie een belangrijke rol spelen in de pathobiologie van tics bij tenminste een subgroep van de getroffen personen (bijvoorbeeld bij mensen met sydenhamchorea). Er is echter meer onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de biologisch-gedragsmatige onderbouwing en potentieel causatieve rol van infecties op andere neu­ro­psy­chi­a­tri­sche aandoeningen, inclusief pediatrische neu­ro­psy­chi­a­tri­sche syndromen met acuut begin en pediatrische neu­ro­psy­chi­a­tri­sche auto-im­muun­st­oor­nis­sen die samenhangen met een strep­to­kok­ken­in­fec­tie.

Factoren die het beloop beïnvloeden Tics verergeren bij angst, opwinding en uitputting en verbeteren bij rustige activiteiten waarbij de betrokkene gefocust is. Veel mensen hebben bijvoorbeeld minder tics als ze activiteiten uitvoeren waarvoor gerichte aandacht en motorische beheersing nodig is. Stressvolle/opwindende gebeurtenissen (een tentamen doen, spannende activiteiten ondernemen) maken de tics vaak erger.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.