De tics beginnen meestal op een leeftijd van tussen 4 en 6 jaar. Oogknipperen is een zeer kenmerkend eerste symptoom. De piek in de ernst ligt tussen 10 en 12 jaar, met een afname in ernst gedurende de adolescentie. Veel volwassenen met ticstoornissen merken dat de symptomen zijn afgenomen. Een klein percentage vertoont echter aanhoudend ernstige of verslechterende symptomen tijdens de volwassenheid.
Tics komen in alle leeftijdsgroepen en gedurende het hele leven voor. Tics nemen toe en af in ernst (frequentie en hevigheid), en veranderen in de loop van de tijd wat betreft aangedane spiergroepen en aard van de vocalisaties. Veel mensen, ook jonge kinderen, rapporteren dat hun tics gepaard gaan met een gelokaliseerde lichamelijke gewaarwording die aan de tic voorafgaat, en een aankondigende drang om te bewegen. Het kan lastig zijn om deze aankondigende sensaties en drang onder woorden te brengen. Tics die samenhangen met een aankondigende drang kunnen ervaren worden als niet volledig ‘onwillekeurig’, in de zin dat de betrokkene weerstand kan bieden aan de drang en de tic. De betrokkene kan ook het gevoel hebben dat hij of zij een tic moet herhalen of op een specifieke manier moet uitvoeren tot hij of zij het gevoel krijgt dat de tic ‘precies goed’ is uitgevoerd. Vaak ontstaat er na het uitvoeren van de tic of een reeks van tics een gevoel van opluchting en vermindering van spanning.
Bij verschillende comorbide aandoeningen verandert de kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van tegelijk voorkomende aandoeningen naarmate mensen ouder worden dan de risicoleeftijd. Prepuberale kinderen met ticstoornissen vertonen bijvoorbeeld vaker ook een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD), een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) of een separatieangststoornis. Tieners en volwassenen hebben een grotere kans om een stemmingsstoornis, angststoornis of stoornis in het gebruik van een middel door te maken.