De eerste symptomen van de oppositionele-opstandige stoornis verschijnen meestal al tijdens de peuter- en kleuterjaren, en dit gebeurt zelden later dan in de vroege adolescentie. De oppositionele-opstandige stoornis gaat vaak vooraf aan de ontwikkeling van een normoverschrijdend-gedragsstoornis, vooral het type met het begin in de kindertijd. Er zijn echter ook veel kinderen en adolescenten met een oppositionele-opstandige stoornis die op latere leeftijd geen normoverschrijdend-gedragsstoornis ontwikkelen. De aanwezigheid van de oppositionele-opstandige stoornis betekent ook een risico op het ontwikkelen van angststoornissen en de depressieve stoornis, zelfs in afwezigheid van een normoverschrijdend-gedragsstoornis. De symptomen van opstandig, brutaal en wraakzuchtig gedrag dragen vooral het risico op een normoverschrijdend-gedragsstoornis in zich; het risico op stemmings- en angststoornissen zit vooral in de symptomen van een boze en prikkelbare stemming.
Er zijn geen noemenswaardige verschillen tussen de ontwikkelingsfasen in de manier waarop de stoornis tot uiting komt. Kinderen en adolescenten met de oppositionele-opstandige stoornis lopen een verhoogd risico om als volwassene een aantal aanpassingsproblemen te hebben, zoals functionele beperkingen (bijvoorbeeld problemen in de relaties met gezinsleden, leeftijdgenoten en liefdespartners; een lager opleidingsniveau; meer stress op de werkplek), persistentie van de symptomen van de stoornis en andere psychiatrische symptomen, bijvoorbeeld antisociaal gedrag, problemen met de impulsbeheersing, middelenmisbruik, angst en depressiviteit.
Veel van het met de oppositionele-opstandige stoornis in verband gebrachte gedrag neemt toe tijdens de peuter- en kleuterjaren en de adolescentie. Vooral in die ontwikkelingsfasen is het erg belangrijk om de frequentie en de intensiteit van dit gedrag af te zetten tegen de normale niveaus, alvorens te beslissen dat het symptomen zijn van de oppositionele-opstandige stoornis. Voor kinderen tot een jaar of 5 is het bijvoorbeeld niet ongewoon om wekelijks een driftbui te hebben; dagelijkse driftbuien komen echter slechts bij ongeveer 10% van deze kinderen voor.