Het hoofdkenmerk van de oppositionele-opstandige stoornis is een frequent voorkomend en persisterend patroon van een boze of prikkelbare stemming, brutaal of uitdagend gedrag, of wraak­zuch­tig­heid (criterium A). Het is niet ongebruikelijk dat betrokkenen met de oppositionele-opstandige stoornis de ge­drags­ken­mer­ken van de stoornis vertonen zonder de bijkomende negatieve stemming. Andersom komt minder vaak voor: betrokkenen met de stoornis bij wie wel sprake is van een boze of prikkelbare stemming, vertonen daarnaast meestal ook de ge­drags­ken­mer­ken.

De symptomen van de oppositionele-opstandige stoornis kunnen zich beperken tot slechts één setting, en dat is dan meestal de thuissituatie. Betrokkenen die genoeg symptomen vertonen om aan de diagnostische drempel te voldoen, zelfs al is dit alleen bij hen thuis, kunnen aanzienlijk beperkt zijn in hun sociale functioneren. In de ernstigere gevallen zijn de symptomen echter in meerdere settings aanwezig. Omdat het aantal settings waarin de symptomen optreden een indicator vormt voor de ernst van de stoornis, is het van cruciaal belang dat het gedrag van de betrokkene wordt beoordeeld in meerdere settings en relaties. Aangezien dit soort gedrag tussen broers en zussen algemeen voorkomt, moeten de symptomen ook worden waargenomen tijdens interacties met anderen dan broers en zussen. En aangezien de symptomen van de stoornis over het algemeen duidelijker tot uiting komen in interacties met volwassenen of leeftijdgenoten die de betrokkene goed kent, hoeven deze tijdens het psychiatrisch onderzoek niet observeerbaar te zijn.

De symptomen van de oppositionele-opstandige stoornis kunnen in zekere mate ook optreden bij mensen die deze stoornis niet hebben. De volgende belangrijke overwegingen kunnen helpen om te bepalen of het gedrag symptomatisch is voor de oppositionele-opstandige stoornis: ten eerste moet worden voldaan aan de diagnostische drempel van vier of meer symptomen in de voorafgaande zes maanden. Ten tweede moeten de symptomen vaker voorkomen en langer aanhouden dan normaal is voor de leeftijd, het gender en de cultuur van de betrokkene. Voor een kind dat jonger is dan 5 jaar dienen driftbuien alleen dan als een symptoom van de oppositionele-opstandige stoornis te worden beschouwd als ze de afgelopen zes maanden bijna dagelijks zijn voorgekomen, gepaard zijn gegaan met minstens drie andere symptomen van de stoornis en hebben bijgedragen aan de aanzienlijke beperking door de stoornis (bijvoorbeeld doordat er als gevolg van de driftbuien eigendommen zijn gesneuveld, of als het gedrag ertoe heeft geleid dat de ouders is verzocht hun kind van de peuterspeelzaal te halen). Opgemerkt moet worden dat boosheid niet altijd gepaard hoeft te gaan met driftbuien, maar ook kan worden geuit met een boze ge­zichts­uit­druk­king, verbale uitingen van woede en subjectieve gevoelens van boosheid die normaal gesproken niet als een driftbui zouden worden beschouwd.

De symptomen van de stoornis maken vaak deel uit van een patroon van problematische interacties met anderen. Bovendien beschouwen mensen met deze stoornis zichzelf meestal niet als boos, dwars of ongehoorzaam. In plaats daarvan rechtvaardigen zij hun gedrag als een reactie op onredelijke eisen of oneerlijke omstandigheden. Daardoor kan het lastig zijn om een goede inschatting te maken van de mate waarin iemand met de stoornis zelf bijdraagt aan de problematische interacties die hij of zij ervaart. Kinderen met de oppositionele-opstandige stoornis kunnen bijvoorbeeld een voor­ge­schie­de­nis hebben van een vijandig op­voe­dings­kli­maat, en het is vaak onmogelijk om te bepalen of het gedrag van het kind er de oorzaak van is dat de ouders zich vijandiger zijn gaan gedragen tegenover het kind, of dat de vijandigheid van de ouders het problematische gedrag van het kind heeft veroorzaakt, of dat er sprake is van een bepaalde combinatie van beide factoren. De vraag of de relatieve bijdragen van mogelijke causale factoren door de clinicus zijn te onderscheiden, zou geen invloed moeten hebben op het toekennen van de classificatie. Mocht het kind opgroeien in opvallend ongunstige omstandigheden waar sprake is van verwaarlozing of een slechte behandeling (bijvoorbeeld in een instelling), dan kan het helpen om behandeling te bieden om de invloed van de omgeving terug te dringen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.