F91.3
CLASSIFICATIECRITERIA
AEen patroon bestaand uit een boze/prikkelbare stemming, brutaal/uitdagend gedrag, of wraakzuchtigheid, dat minstens zes maanden duurt, zoals blijkt uit minstens vier van de symptomen uit een van de volgende categorieën, en dat wordt vertoond tijdens interacties met minstens één persoon die geen broer of zus van de betrokkene is.
Boze/prikkelbare stemming
1Verliest vaak zijn of haar kalmte.
2Is vaak lichtgeraakt of snel geërgerd.
3Is vaak boos en ontevreden.
Ruziezoekend/uitdagend gedrag
4Maakt vaak ruzie met gezagsfiguren, of, bij kinderen en adolescenten, met volwassenen.
5Verzet zich vaak actief tegen of weigert te voldoen aan regels of verzoeken van gezagsfiguren.
6Ergert anderen vaak opzettelijk.
7Geeft anderen vaak de schuld van zijn of haar fouten of wangedrag.
Wraakzuchtigheid
8Is in de afgelopen zes maanden minstens tweemaal hatelijk of wraakzuchtig geweest.
Zelfs goed aangepaste kinderen kunnen gedrag vertonen dat overeenkomt met één of meer van de symptomen van de oppositionele-opstandige stoornis. Om aan criterium A te voldoen, moeten de klachten echter onderdeel vormen van een gedragspatroon dat frequent voorkomt en niet past bij het ontwikkelingsniveau van het kind. Binnen een periode van zes maanden moet het kind minstens vier van de acht gedragssymptomen hebben, die zijn gegroepeerd in drie duidelijk afgebakende categorieën: (1) boze/prikkelbare stemming, (2) ruziezoekend/uitdagend gedrag, en (3) wraakzucht. Hoewel het criterium in de DSM-IV stelde dat het gedrag ‘vaak’ moest worden vertoond, kreeg de clinicus maar weinig handvatten aangereikt over hoe ‘vaak’ op een objectieve manier moest worden gedefinieerd. In de DSM-5 wordt de frequentie van het gedrag die nodig is voor een classificatie per leeftijdscategorie als volgt verduidelijkt: ‘Voor kinderen tot 5 jaar moet het gedrag gedurende minstens zes maanden op de meeste dagen zijn voorgekomen (met uitzondering van criterium A8). Voor mensen vanaf de leeftijd van 5 jaar moet het gedrag gedurende minstens zes maanden minstens één keer per week zijn voorgekomen (met uitzondering van criterium A8).’
De belangrijkste vormen van gedrag zijn niet veranderd ten opzichte van de DSM-IV, met uitzondering van wraakzuchtig gedrag, waarvoor nu minstens twee episoden gedurende de afgelopen zes maanden zijn vereist. Een andere verandering is dat nu wordt vereist dat dit gedrag niet uitsluitend plaatsvindt ten opzichte van een broer of zus.
In de DSM-5 wordt onderscheid gemaakt tussen symptomen die emotioneel en symptomen die gedragsmatig van aard zijn. Uit onderzoek blijkt dat de symptomen van de oppositionele-opstandige stoornis sterk met elkaar samenhangen, en dat de gezamenlijke symptomen bijdragen aan de voorspelling van de uitkomsten van een disruptieve gedragsstoornis. Los daarvan voorspellen de emotionele symptomen op zich het optreden van stemmings- en angststoornissen.
NB Het persisterende karakter en de frequentie van deze gedragingen dienen te worden gebruikt om onderscheid te maken tussen gedrag dat nog binnen de grenzen van het normale valt versus gedrag dat symptomatisch is voor de stoornis. Voor kinderen tot 5 jaar moet het gedrag gedurende minstens zes maanden op de meeste dagen zijn voorgekomen (met uitzondering van criterium A8). Voor mensen vanaf de leeftijd van 5 jaar moet het gedrag gedurende minstens zes maanden minstens één keer per week zijn voorgekomen (met uitzondering van criterium A8). Hoewel deze frequentiecriteria een leidraad bieden voor een minimale frequentie om van symptomen te kunnen spreken, moet ook rekening worden gehouden met andere factoren, zoals de vraag of de frequentie en de intensiteit van de gedragingen aanwezig zijn in een mate die niet overeenkomt met wat normaal is voor het ontwikkelingsniveau, het gender en de cultuur van de betrokkene.
BDe verstoring in het gedrag gaat samen met lijdensdruk bij de betrokkene zelf of bij anderen in zijn of haar onmiddellijke sociale omgeving (zoals het gezin, klasgenoten, collega’s op het werk) of heeft een negatieve invloed op het sociale, schoolse, of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
De stoornis hangt samen met lijdensdruk bij de betrokkene of anderen in zijn of haar directe sociale omgeving, of heeft een negatieve invloed op het sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren of op andere belangrijke terreinen. Dit criterium helpt incidenteel disruptief gedrag van een verder goed aangepast(e) kind of adolescent te onderscheiden van het disruptieve gedrag van iemand met een oppositionele-opstandige stoornis. In een onderzoek onder jongeren met een oppositionele-opstandige stoornis volgens de DSM-IV-criteria (Burke et al., 2002), meldden bijna alle jongeren problemen thuis (96%) en op school (85%); een kleiner percentage jongeren (67%) had problemen met leeftijdgenoten.
CHet gedrag treedt niet uitsluitend op in het beloop van een psychotische, depressieve- of bipolaire-stemmingsstoornis of een stoornis in het gebruik van een middel. Ook wordt niet voldaan aan de criteria voor een disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis.
In de DSM-5 is het uitsluitingscriterium uit de DSM-IV weggelaten, dat ervoor zorgde dat de classificatie oppositionele-opstandige stoornis alleen toegekend kon worden als niet aan de criteria voor de normoverschrijdend-gedragsstoornis werd voldaan. De twee classificaties kunnen nu gelijktijdig worden toegekend. Deze wijziging is gebaseerd op onderzoek waaruit blijkt dat de aan- of afwezigheid van een comorbide oppositionele-opstandige stoornis behulpzaam is bij het voorspellen van de uitkomsten van een normoverschrijdend-gedragsstoornis.
→Specificeer actuele ernst:
Licht De symptomen beperken zich tot slechts één setting (bijvoorbeeld thuis, op school, op het werk, met leeftijdgenoten).
Matig Sommige symptomen zijn aanwezig in minstens twee settings.
Ernstig Sommige symptomen zijn aanwezig in drie of meer settings.