Centrale-slaapapneustoornissen worden gekenmerkt door herhaalde episoden met apneus en hypopneus tijdens de slaap die worden veroorzaakt door een variabiliteit in de kracht van de ademhaling. Dit zijn stoornissen van de respiratoire controle, waarbij respiratoire voorvallen optreden in een periodiek of intermitterend patroon. Kenmerken van het idiopathische centrale-slaapapneusyndroom zijn slaperigheid, insomnia en veelvuldige nachtelijke ontwaakmomenten door dyspneu in samenhang met vijf of meer centrale apneus per uur slaap. Het centrale-slaapapneusyndroom bij mensen met hartfalen, CVA of nierfalen heeft gewoonlijk een ademhalingspatroon dat ‘Cheyne-Stokes-ademhaling’ wordt genoemd. Dit wordt gekenmerkt door een patroon van een periodieke toename en afname van het ademvolume dat leidt tot centrale apneus en hypopneus met een frequentie van minstens vijf voorvallen per uur. De voorvallen gaan vaak gepaard met arousals, maar dit is voor de classificatie niet verplicht. Centrale slaapapneu waargenomen in de bergen treedt op na het klimmen naar grote hoogten, over het algemeen minstens 2500 meter boven de zeespiegel. Centrale en obstructieve slaapapneu kunnen naast elkaar bestaan; de classificatie centrale-slaapapneusyndroom vereist dat voorvallen met centrale apneus/hypopneus meer dan 50% van het totale aantal respiratoire voorvallen uitmaken.
Veranderingen in de neuromusculaire controle van de ademhaling komen soms voor bij het gebruik van medicatie of middelen; deze veranderingen kunnen stoornissen van het ademhalingsritme en de ventilatie veroorzaken of verergeren. Mensen die dergelijke geneesmiddelen gebruiken, kunnen een ademhalingsgerelateerde slaapstoornis hebben die kan bijdragen aan slaapproblemen en symptomen zoals slaperigheid, verwardheid en depressiviteit. Vooral het chronische gebruik van lang werkende opioïde (genees)middelen wordt vaak in verband gebracht met stoornissen van het respiratoire controlesysteem die een centrale-slaapapneusyndroom veroorzaken.