Polysomnografie van de nachtelijke slaap laat een normale tot verlengde slaapduur zien, een korte slaaplatentie en een normale tot toegenomen slaap­con­ti­nu­ï­teit. De verdeling van de remslaap over de nacht is ook normaal. De slaapef­fi­ci­ën­tie is doorgaans hoger dan 90%. De multipele slaapla­ten­tie­test (MSLT) legt de slaapdruk vast. Dit wordt gewoonlijk aangegeven als een gemiddelde in­slaapla­ten­tie­tijd van minder dan 8 minuten. Bij de hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis is de gemiddelde in­slaapla­ten­tie­tijd meer dan 10 minuten en vaak 8 minuten of minder. Rem­slaap­pe­ri­o­den tijdens de inslaapfase (SOREMP’s — het optreden van remslaap binnen 15 minuten na het inslapen) kunnen aanwezig zijn, maar komen minder vaak voor. Helaas heeft de MSLT een lage test-her­test­be­trouw­baar­heid en maakt deze geen goed onderscheid tussen de hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis en narcolepsie type 2.

Om de hoeveelheid en timing van de slaap te documenteren, kan het gedurende twee weken bijhouden van een slaapdagboek behulpzaam zijn. Middels actigrafie kunnen nauwkeurigere gegevens over iemands gebruikelijke slaappatroon verkregen worden. In een onderzoek waarin proefpersonen werden aangemoedigd om in een periode van 32 uur naar believen te slapen, sliepen mensen met een hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis meer dan vier uur meer dan con­tro­le­per­so­nen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.