De symptomen van de hypersomnolentiestoornis omvatten een overmatige hoeveelheid slaap (bijvoorbeeld een zeer lange nachtrust of langdurige dutjes), slaperigheid, en slaapinertie (een periode van minder presteren en verminderde waakzaamheid na het ontwaken uit de reguliere slaapperiode, of na een dutje) (criterium A). Mensen met deze stoornis vallen doorgaans snel in slaap en hebben een goede slaapefficiëntie (> 90%). In plaats van een plotselinge ‘slaapaanval’ voelen mensen de slaperigheid meestal in de loop van de tijd ontstaan. Onbedoelde slaapepisoden komen meestal voor in situaties met weinig stimulatie en weinig activiteit (bijvoorbeeld tijdens lezingen, lezen, televisiekijken, of lange afstanden in de auto), maar bij de ernstigere gevallen kunnen de episoden ook optreden in situaties waarbij juist veel aandacht nodig is, zoals op het werk, tijdens vergaderingen, of bij sociale gelegenheden. De aanhoudende behoefte aan slaap kan ertoe leiden dat de betrokkene automatisch gedrag vertoont (gewoonlijk van een zeer routineuze, laagcomplexe soort), dat hij of zij zich na afloop niet tot nauwelijks kan herinneren. Zo kan het voorkomen dat mensen met de auto een paar kilometer verder zijn gereden dan zij dachten, waarbij zij zich er niet van bewust waren dat zij in de voorafgaande minuten op de automatische piloot hadden gereden.
Ongeveer 40% van de mensen met een hypersomnolentiestoornis ervaart slaapinertie (ook wel ‘slaapdronkenheid’ genoemd), en dit symptoom kan helpen om de hypersomnolentiestoornis van andere oorzaken van slaperigheid te onderscheiden. Mensen met slaapinertie kunnen ’s ochtends moeilijk wakker worden en lijken soms verward, prikkelbaar of atactisch. Ze zetten vaak meerdere wekkers of vertrouwen op anderen om hen wakker te krijgen. Slaapinertie kan ook voorkomen bij het ontwaken na een dutje overdag. In die periode lijkt de betrokkene wakker, maar is de motorische coördinatie verstoord, kan het gedrag ongepast zijn, en kan het voorkomen dat de betrokkene geheugenstoornissen heeft, gedesoriënteerd is in tijd en plaats, of zich dronken voelt. Deze periode kan een paar minuten tot uren aanhouden.
Voor sommige mensen met een hypersomnolentiestoornis duurt de belangrijkste slaapperiode (voor de meeste mensen ’s nachts) negen uur of langer. In de extreemste gevallen kunnen slaapepisoden tot twintig uur duren. De slaap is echter vaak niet-restauratief en wordt gevolgd door veel moeite met het ontwaken ’s ochtends. Voor andere mensen met een hypersomnolentiestoornis is de belangrijkste slaapperiode een normale nachtrust (zeven tot negen uur), waarbij ze overdag relatief lange dutjes (meer dan één uur) doen die niet leiden tot een verbeterde alertheid. De meeste mensen met een hypersomnolentiestoornis doen bijna dagelijks dutjes overdag, onafhankelijk van de duur van de nachtrust. Veel mensen met hypersomnolentie zijn in staat hun slaaptijd tijdens werkdagen te verkorten, maar in het weekend en tijdens vakanties neemt die enorm toe (met maximaal drie uur).