Hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis

Hypersomnolence disorder

F51.1

CLASSIFICATIECRITERIA

AZelf­ge­rap­por­teer­de excessieve slaperigheid (hy­per­som­no­len­tie) ondanks een belangrijkste slaapperiode van minstens zeven uur, met minstens één van de volgende symptomen:

1Recidiverende perioden van slapen of van in slaap vallen op dezelfde dag.

2Een verlengde slaapepisode van meer dan negen uur per dag die niet­res­tau­ra­tief (niet-verkwikkend) is.

3Na plotseling ontwaken veel moeite hebben om volledig wakker te worden.

De klinische beschrijving van de symptomen van overmatige slaperigheid in de DSM-IV was vaag (namelijk: overmatige slaperigheid ‘zoals blijkt uit ofwel verlengde slaapepisoden ofwel bijna dagelijks voorkomende slaapepisoden overdag’). In veel gevallen werden ernstige symptomen van overmatige slaperigheid niet ge­di­a­gnos­ti­ceerd, omdat overmatige slaperigheid was gerelateerd aan de kwaliteit van de waakzaamheid en niet aan de kwantiteit van de slaap. Bovendien werd in de DSM-IV geen grenswaarde gegeven om af te bakenen wat als een verlengde slaapepisode kan worden beschouwd. Met een drempel van 9 uur als indicatie voor een verlengde belangrijkste slaapepisode kunnen betrokkenen met een overmatige hoeveelheid slaap gemakkelijker geïdentificeerd worden. De keuze van 9 uur was gebaseerd op klinisch bewijs dat mensen met een hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis (met of zonder verlengde slaaptijd) op weekdagen gemiddeld 8 tot 8,5 uur slapen, en het feit dat de hoeveelheid van 9 uur overeenkomt met het bovenste vijfde percentiel van de normale slaap­dis­tri­bu­tie in de algemene bevolking.

Het DSM-IV-symptoom ‘slaapepisodes overdag’ is verfijnd tot ‘recidiverende perioden van slapen of van in slaap vallen op dezelfde dag’. Met deze verandering kunnen ook mensen die een belangrijkste slaapperiode van een normale duur hebben (gedefinieerd als minstens 7 uur slaap), maar die op dezelfde dag terugkerende episoden van slaperigheid hebben (minstens twee episoden), in aanmerking komen voor deze classificatie. De tijdsduur van 7 uur werd gekozen omdat dat de gemiddelde slaaptijd van gezonde volwassenen is. Met dit duurcriterium is de kans minder groot dat mensen van wie de overmatige slaperigheid het gevolg is van onvoldoende slaap de classificatie hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis toegekend krijgen.

In de DSM-5 is de zinsnede ‘na plotseling ontwaken veel moeite hebben om volledig wakker te worden’ toegevoegd als een hoofdkenmerk van overmatige slaperigheid. De meeste betrokkenen (tot 78%) met hy­per­som­no­len­tie gekenmerkt door een lange slaaptijd, hebben moeite met het wakker worden uit de slaap. Slaapinertie (slaap­dron­ken­schap) wordt gemeld bij 21 tot 72% van de mensen met een hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis. De toevoeging van dit symptoom zal de nauwkeurigheid van de identificatie van mensen met de hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis vergroten.

BDe hy­per­som­no­len­tie komt minstens drie keer per week voor, gedurende minstens drie maanden.

In de DSM-5 is een criterium toegevoegd voor de minimale frequentie van overmatige slaperigheid. Dit fre­quen­tie­cri­te­ri­um (minstens drie keer per week) werd geselecteerd op basis van on­der­zoeks­ge­ge­vens waaruit blijkt dat het de beste grenswaarde is waarmee betrokkenen kunnen worden geïdentificeerd die beperkingen of lijdensdruk melden in samenhang met overmatige slaperigheid. Dit DSM-5-criterium komt in de plaats van het DSM-IV-vereiste ‘bijna dagelijks’ in criterium A voor primaire hypersomnia. Met dit fre­quen­tie­cri­te­ri­um kunnen mensen die af en toe slaperigheid ervaren gemakkelijker onderscheiden worden van mensen met ernstiger symptomen van overmatige slaperigheid.

De DSM-5 vereist ook dat de overmatige slaperigheid minstens drie maanden duurt. In de DSM-IV was een duur van één maand vereist, maar dat werd als te kort beschouwd om overmatige slaperigheid te definiëren als een chronische stoornis. Gezien het feit dat de hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis in het algemeen een chronische stoornis is die meestal in de vroege volwassenheid begint, is een tijdsbestek gekozen dat duidt op een langere duur.

CDe hy­per­som­no­len­tie gaat gepaard met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het cognitieve, sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Mensen met hy­per­som­no­len­tie maken zich vaak zorgen over hun prikkelbaarheid en de verstoring van hun cognitieve functies. Andere mogelijke klachten zijn angst, verminderde energie, rusteloosheid, langzame spraak, verlies van eetlust en ge­heu­gen­pro­ble­men. Sommige mensen verliezen het vermogen om goed te functioneren in het gezin, de sociale kring, op het werk of in andere situaties. Een van de ernstigste gevolgen van overmatige slaperigheid is de betrokkenheid bij een verkeersongeval. Uit de enquête Sleep in America van de Amerikaanse National Sleep Foundation (2005) bleek dat 60% van de volwassen bestuurders weleens gereden heeft terwijl ze slaperig waren, en dat 13% van de mensen die minimaal één keer per maand rijden daadwerkelijk in slaap gevallen is.

DDe hy­per­som­no­len­tie kan niet beter worden verklaard door en komt niet uitsluitend voor in het beloop van een andere slaap-waakstoornis (bijvoorbeeld narcolepsie, een adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaapstoornis, een cir­ca­dia­ne­rit­me­slaap-waakstoornis, een parasomnia).

Mensen met adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaap­stoor­nis­sen kunnen patronen van overmatige slaperigheid vertonen, en ook circadianeritme-slaap-waakstoornissen worden vaak gekenmerkt door slaperigheid overdag. Sla­pe­rig­heids­klach­ten overdag kunnen eveneens optreden bij bepaalde somatische aandoeningen (bijvoorbeeld een uitgebreide neurocognitieve stoornis), bij medicijngebruik (bijvoorbeeld antipsychotica) of bij andere psychische stoornissen (bijvoorbeeld tijdens een depressieve stoornis of een depressieve episode van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis). De classificatie hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis kan worden toegekend wanneer er een andere actuele of eerdere psychische stoornis aanwezig is, zolang de andere stoornis de hy­per­som­no­len­tie niet volledig verklaart.

EDe hy­per­som­no­len­tie kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie).

Mensen met adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaap­stoor­nis­sen kunnen patronen van overmatige slaperigheid vertonen, en ook circadianeritme-slaap-waakstoornissen worden vaak gekenmerkt door slaperigheid overdag. Sla­pe­rig­heids­klach­ten overdag kunnen eveneens optreden bij bepaalde somatische aandoeningen (bijvoorbeeld een uitgebreide neurocognitieve stoornis), bij medicijngebruik (bijvoorbeeld antipsychotica) of bij andere psychische stoornissen (bijvoorbeeld tijdens een depressieve stoornis of een depressieve episode van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis). De classificatie hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis kan worden toegekend wanneer er een andere actuele of eerdere psychische stoornis aanwezig is, zolang de andere stoornis de hy­per­som­no­len­tie niet volledig verklaart.

FCo-existente psychische stoornissen en somatische aandoeningen kunnen niet adequaat de op de voorgrond staande hy­per­som­no­len­tie­klacht verklaren.

Mensen met adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaap­stoor­nis­sen kunnen patronen van overmatige slaperigheid vertonen, en ook circadianeritme-slaap-waakstoornissen worden vaak gekenmerkt door slaperigheid overdag. Sla­pe­rig­heids­klach­ten overdag kunnen eveneens optreden bij bepaalde somatische aandoeningen (bijvoorbeeld een uitgebreide neurocognitieve stoornis), bij medicijngebruik (bijvoorbeeld antipsychotica) of bij andere psychische stoornissen (bijvoorbeeld tijdens een depressieve stoornis of een depressieve episode van een bipolaire-stem­mings­stoor­nis). De classificatie hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis kan worden toegekend wanneer er een andere actuele of eerdere psychische stoornis aanwezig is, zolang de andere stoornis de hy­per­som­no­len­tie niet volledig verklaart.

Specificeer indien:

Met psychische stoornis, inclusief stoornissen in het gebruik van een middel.

Met somatische aandoening

Met andere slaapstoornis

Co­de­rings­aan­wij­zing De code F51.1 geldt voor alle drie de specificaties. Codeer en/of noteer ook de relevante bijkomende psychische stoornis, somatische aandoening of andere slaapstoornis om het verband aan te geven.

De clinicus kan met de volgende specificaties de aanwezigheid van comorbiditeit aangeven: ‘met psychische stoornis, inclusief stoornissen in het gebruik van een middel’; ‘met somatische aandoening’; en ‘met andere slaapstoornis’. In elk van deze gevallen helpt de specificatie de toestand van de betrokkene te verduidelijken.

Naast de specificaties voor gelijktijdig voorkomende stoornissen en aandoeningen zijn er drie specificaties beschikbaar om het beloop te beschrijven: acuut (duur van minder dan één maand), subacuut (duur van één tot drie maanden) en persisterend (duur van langer dan drie maanden). Ook zijn specificaties van ernst opgenomen; de ernst dient gespecificeerd te worden op basis van de hoeveelheid moeite die het iemand kost om overdag alert te blijven.

Specificeer indien:

Acuut Symptomen duren korter dan één maand.
Subacuut Symptomen duren één tot drie maanden.
Persisterend Symptomen duren langer dan drie maanden.

De clinicus kan met de volgende specificaties de aanwezigheid van comorbiditeit aangeven: ‘met psychische stoornis, inclusief stoornissen in het gebruik van een middel’; ‘met somatische aandoening’; en ‘met andere slaapstoornis’. In elk van deze gevallen helpt de specificatie de toestand van de betrokkene te verduidelijken.

Naast de specificaties voor gelijktijdig voorkomende stoornissen en aandoeningen zijn er drie specificaties beschikbaar om het beloop te beschrijven: acuut (duur van minder dan één maand), subacuut (duur van één tot drie maanden) en persisterend (duur van langer dan drie maanden). Ook zijn specificaties van ernst opgenomen; de ernst dient gespecificeerd te worden op basis van de hoeveelheid moeite die het iemand kost om overdag alert te blijven.

Specificeer actuele ernst:

Specificeer de ernst op basis van de mate van moeite om overdag alert te blijven, zoals blijkt uit het voorkomen van meerdere aanvallen van onbedwingbare slaperigheid op een willekeurige dag terwijl men inactief is, in de auto rijdt, vrienden bezoekt, of aan het werk is.

Licht Moeite om één à twee dagen per week overdag alert te blijven.
Matig Moeite om drie à vier dagen per week overdag alert te blijven.
Ernstig Moeite om vijf à zeven dagen per week overdag alert te blijven.

De clinicus kan met de volgende specificaties de aanwezigheid van comorbiditeit aangeven: ‘met psychische stoornis, inclusief stoornissen in het gebruik van een middel’; ‘met somatische aandoening’; en ‘met andere slaapstoornis’. In elk van deze gevallen helpt de specificatie de toestand van de betrokkene te verduidelijken.

Naast de specificaties voor gelijktijdig voorkomende stoornissen en aandoeningen zijn er drie specificaties beschikbaar om het beloop te beschrijven: acuut (duur van minder dan één maand), subacuut (duur van één tot drie maanden) en persisterend (duur van langer dan drie maanden). Ook zijn specificaties van ernst opgenomen; de ernst dient gespecificeerd te worden op basis van de hoeveelheid moeite die het iemand kost om overdag alert te blijven.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.