Een hoofdkenmerk van deze stoornis is dat de angst of vrees zich beperkt tot de aanwezigheid van een bepaald(e) situatie of object (criterium A), die de fobische stimulus kan worden genoemd. De categorieën van gevreesde situaties of objecten worden toegevoegd als specificaties. Veel mensen met een fobie zijn bang voor objecten of situaties uit meer dan één categorie. Voor de classificatie specifieke fobie moet de respons verschillen van normale, voorbijgaande angsten die in de bevolking algemeen voorkomen. Om aan de criteria voor een classificatie te voldoen, moet de angst of vrees intens of ernstig zijn (criterium A). De mate van vrees die iemand ervaart kan variëren afhankelijk van de nabijheid van het object van vrees, en kan optreden in afwachting van of in de werkelijke aanwezigheid van het object of de situatie. Verder kan de angst of vrees de vorm aannemen van een paniekaanval, met een beperkt aantal of alle symptomen daarvan (een verwachte paniekaanval). Een ander kenmerk van specifieke fobieën is dat de angst of vrees bijna iedere keer dat de persoon met de fobische stimulus wordt geconfronteerd, wordt opgeroepen (criterium B). Voor iemand die slechts af en toe angstig reageert na een confrontatie met de situatie of het object (bijvoorbeeld tijdens slechts één op de vijf vliegreizen), geldt niet de classificatie specifieke fobie. De mate van angst of vrees die wordt geuit kan echter wel variëren (van an­ti­ci­pa­tie­angst tot een volledige paniekaanval) per situatie van blootstelling aan het fobische object of de fobische situatie, vanwege verschillende contextuele factoren, zoals de aanwezigheid van anderen, de duur van de blootstelling en andere bedreigende elementen, zoals turbulentie tijdens een vliegreis voor mensen met een vliegfobie. Kinderen en volwassenen uiten hun angst en vrees vaak op verschillende manieren. Verder treedt de angst of vrees op direct na de confrontatie met het fobische object of de fobische situatie (onmiddellijk in plaats van vertraagd).

Iemand met een fobie vermijdt de situatie actief; als dit niet mogelijk is of hij of zij besluit om deze niet te vermijden, roept de situatie of het object intense angst of vrees op (criterium C). Vermijding betekent dat de persoon zich doelbewust op zo’n manier gedraagt dat hij of zij het contact met de fobische objecten of situaties kan ontlopen of zo beperkt mogelijk kan houden (bijvoorbeeld: rijdt vanwege hoogtevrees in het dagelijkse woon-werkverkeer door tunnels in plaats van over bruggen; vermijdt het vanwege angst voor spinnen om een donkere kamer binnen te gaan; vermijdt het accepteren van een baan op een locatie waar een fobische stimulus meer voorkomt). Ver­mij­dings­ge­drag is vaak duidelijk herkenbaar (zoals wanneer iemand met angst voor bloed weigert om naar de dokter te gaan), maar soms ook minder herkenbaar (zoals wanneer iemand met angst voor slangen weigert naar afbeeldingen te kijken waarvan de vorm aan een slang doet denken). Veel mensen met specifieke fobieën lijden hier al vele jaren aan, en hebben hun le­vens­om­stan­dig­he­den zo aangepast dat ze het fobische object of de fobische situatie zo veel mogelijk kunnen vermijden (zoals iemand met een specifieke fobie voor dieren, die verhuist naar een regio waar het specifieke gevreesde dier niet voorkomt). Daardoor ervaren deze mensen de angst en vrees niet meer in hun dagelijks leven. In dergelijke gevallen kan het ver­mij­dings­ge­drag of de nog steeds aanwezige weigering om deel te nemen aan activiteiten die blootstelling aan het fobische object of de fobische situatie met zich mee zouden brengen (zoals de herhaalde weigering om in te gaan op een aanbod om te reizen voor het werk vanwege vliegangst), helpen om de stoornis vast te stellen zonder dat er sprake is van manifeste angst of paniek.

De angst of vrees is overmatig vergeleken met het werkelijke gevaar dat het object of de situatie met zich meebrengt, of is intenser dan noodzakelijk wordt geacht (criterium D). Hoewel mensen met een specifieke fobie vaak wel inzien dat hun reacties overmatig zijn, hebben zij de neiging het gevaar in de door hen gevreesde situaties te overschatten, en het is dan ook de clinicus die bepaalt of de angst overmatig is. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de sociaal-culturele context van de betrokkene. Binnen een context van aanhoudend geweld kan vrees voor het donker bijvoorbeeld verstandig zijn, en de mate van vrees voor insecten zou eerder dis­pro­por­ti­o­neel worden bevonden in settings waar insecten onderdeel zijn van het voedingspatroon. De angst, vrees of vermijding houdt meestal zes maanden of langer aan (criterium E), en dit helpt om de stoornis te onderscheiden van voorbijgaande angsten die algemeen voorkomen in de bevolking, vooral bij kinderen. Om de specifieke fobie te kunnen classificeren moet er sprake zijn van klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium F).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.