Een specifieke fobie ontstaat soms na een psychotraumatische gebeurtenis (bijvoorbeeld aangevallen worden door een dier of vastzitten in de lift), het getuige zijn van een traumatiserende gebeurtenis die anderen overkomt (iemand zien verdrinken bijvoorbeeld), na een onverwachte paniekaanval in de situatie die dan later wordt gevreesd (bijvoorbeeld een onverwachte paniekaanval tijdens een rit in de metro), of na informatieoverdracht (zoals uitgebreide media-aandacht voor het neerstorten van een vliegtuig). Maar veel mensen met een specifieke fobie kunnen zich de specifieke oorzaak van het begin van hun fobie niet herinneren. De specifieke fobie ontwikkelt zich meestal tijdens de vroege kinderjaren, in de meerderheid van de gevallen voor de leeftijd van 10 jaar. De mediane beginleeftijd ligt tussen 7 en 11 jaar, en de gemiddelde beginleeftijd is ongeveer 10 jaar. Situationele specifieke fobieën hebben over het algemeen een latere beginleeftijd dan specifieke fobieën voor de natuurlijke omgeving, dieren, of bloed, injecties en/of verwondingen. Specifieke fobieën die zich ontwikkelen tijdens de kinderjaren en adolescentie treden in die periode afwisselend meer en minder op de voorgrond. Bij fobieën die persisteren tot op volwassen leeftijd geldt voor de meerderheid van de betrokkenen dat de kans op remissie klein is.
Als aan een specifieke fobie bij kinderen wordt gedacht, dienen twee zaken te worden overwogen. Ten eerste kunnen jonge kinderen hun angst en vrees uiten door huilen, driftbuien, verstijven of vastklampend gedrag. Ten tweede begrijpen de meeste jonge kinderen het begrip ‘vermijding’ niet. De clinicus dient daarom naar dergelijk gedrag te informeren bij de ouders, de leerkracht van het kind, of anderen die het kind goed kennen. Overmatige angsten komen bij jonge kinderen algemeen voor, maar zijn meestal voorbijgaand van aard en belemmeren het kind slechts in lichte mate; dit soort angsten wordt dan ook beschouwd als passend bij de ontwikkelingsfase. In die gevallen wordt de classificatie specifieke fobie niet toegekend. Wanneer de classificatie specifieke fobie wel wordt overwogen voor een kind, is het belangrijk om vast te stellen in hoeverre het kind wordt beperkt in zijn of haar functioneren en hoelang de angst, vrees of vermijding al bestaat, en of de angst kenmerkend is voor de specifieke ontwikkelingsfase van het kind.
Hoewel de prevalentie van de specifieke fobie lager is bij oudere populaties, is de specifieke fobie nog steeds een van de meer algemeen voorkomende stoornissen bij ouderen. Bij het vaststellen van een specifieke fobie bij ouderen moet met verschillende zaken rekening worden gehouden. Ten eerste komen bij ouderen mogelijk meer specifieke fobieën voor de natuurlijke omgeving voor, evenals de fobie om te vallen. Ten tweede komt de specifieke fobie (net als alle angststoornissen) bij ouderen vaak samen met somatische aandoeningen voor, zoals coronaire hartziekte, COPD en de ziekte van Parkinson. Ten derde is bij ouderen mogelijk de kans groter dat zij hun angstklachten toeschrijven aan een somatische aandoening. Ten vierde komen bij ouderen mogelijk vaker atypische uitingen van angst voor (bijvoorbeeld met symptomen van zowel depressiviteit als angst), met als gevolg een grotere kans op een classificatie ongespecificeerde angststoornis. Verder gaat de aanwezigheid van een specifieke fobie bij oudere volwassenen gepaard met een verminderde kwaliteit van leven, en kan deze een risicofactor vormen voor een neurocognitieve stoornis.
De meeste specifieke fobieën ontstaan tijdens de kinderjaren en de adolescentie, maar dit kan op elke leeftijd gebeuren. Het is dan vaak het gevolg van psychotraumatische gebeurtenissen. De fobie om te stikken ontstaat bijvoorbeeld bijna altijd na een ervaring van bijna stikken, die zich op elke leeftijd kan voordoen.