F40.2
CLASSIFICATIECRITERIA
ADuidelijke angst of vrees voor een specifiek object of een specifieke situatie (zoals vliegen, hoogtes, dieren, een injectie krijgen, bloed zien).
NB Bij kinderen kan de angst of vrees zich uiten door huilen, driftbuien, verstijven of vastklampen.
Er is sprake van duidelijke angst of vrees die wordt opgewekt door blootstelling aan een bepaalde stimulus. De term ‘duidelijk’ is geoperationaliseerd als ‘intens’. De zinsnede ‘angst of vrees’ wordt consequent gebruikt bij alle angststoornissen. Het object van de fobie of de fobische situatie roept bijna altijd onmiddellijke angst of vrees op.
BHet object van de fobie of de fobische situatie roept bijna altijd onmiddellijk angst of vrees op.
Er is sprake van duidelijke angst of vrees die wordt opgewekt door blootstelling aan een bepaalde stimulus. De term ‘duidelijk’ is geoperationaliseerd als ‘intens’. De zinsnede ‘angst of vrees’ wordt consequent gebruikt bij alle angststoornissen. Het object van de fobie of de fobische situatie roept bijna altijd onmiddellijke angst of vrees op.
CHet object van de fobie of de fobische situatie wordt bewust vermeden, of alleen verdragen met intense angst of vrees.
Er zijn doorgaans twee reacties op de angst of vrees die wordt opgewekt door de stimulus. Een betrokkene kan de situaties waarin hij of zij wordt blootgesteld aan de prikkel voorkomen, of zichzelf blootstellen aan het object van de fobie of de fobische situatie en de angst of vrees doorstaan. In de DSM-5 is de aanduiding ‘bewust vermeden’ toegevoegd om overdiagnosticeren van lichte angst te voorkomen.
DDe angst of vrees is buiten proportie ten opzichte van het werkelijke gevaar dat het specifieke object of de specifieke situatie met zich meebrengt, de sociaal-culturele context in acht genomen.
De angst of vrees is buiten proportie ten opzichte van het werkelijke gevaar dat het object of de situatie vormt, of is intenser dan nodig wordt geacht — dat wil zeggen dat de angst of vrees groter is dan nodig wordt geacht gezien het werkelijke gevaar dat de situatie oplevert. Mensen met een specifieke fobie erkennen vaak dat hun reacties buitenproportioneel zijn in een bepaalde situatie, maar hebben toch de neiging om het gevaar in de door hen gevreesde situatie te overschatten. Om die reden mag het oordeel dat de angst of vrees buiten proportie is niet alleen worden gemaakt op basis van zelfrapportage. In de DSM-IV vereiste criterium C dat de betrokkene zich ervan bewust is dat de angst of vrees overdreven is, maar dat dit kenmerk niet aanwezig hoeft te zijn bij kinderen. Dit criterium is nu verwijderd, omdat veel volwassenen ontkennen dat hun angsten buiten proportie of overmatig zijn. De opmerking dat dit kenmerk bij kinderen afwezig kan zijn is eveneens verwijderd. Dit criterium vereist verder dat rekening wordt gehouden met de sociaal-culturele context.
EDe angst, vrees of vermijding is persisterend, en duurt meestal zes maanden of langer.
Door middel van het duurcriterium van ‘meestal zes maanden of langer’ (met een verduidelijking in de tekst dat deze grens niet te strikt moet worden toegepast), moet de overdiagnostiek van voorbijgaande angsten en fobieën worden verminderd. In de DSM-IV was een duurcriterium (van zes maanden of langer) opgenomen voor kinderen jonger dan 18 jaar, maar dit is nu uitgebreid tot alle leeftijdsgroepen, omdat er wetenschappelijk bewijs bestaat dat voorbijgaande angsten en fobieën ook in de volwassenheid voorkomen.
FDe angst, vrees of vermijding veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
De angst, vrees of vermijding moet klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren veroorzaken. Iemand die bijvoorbeeld vanwege hoogtevrees het reuzenrad vermijdt op een kermis kan nog steeds een heerlijke dag op de kermis hebben en weinig aandacht besteden aan hoe deze angst van invloed is op zijn of haar ervaring. Sommige mensen hanteren hun fobieën door hun omgeving te manipuleren (bijvoorbeeld: iemand die bang is voor slangen, vermijdt dierentuinen). In deze gevallen is de beperking minimaal of onbestaand en komt het beeld van de betrokkene niet in aanmerking voor de classificatie. Wanneer het naar de hand zetten van de omgeving echter iemands werkzaamheden betreft, dan kan dit wel significante interferentie veroorzaken.
GDe stoornis kan niet beter worden verklaard door de aanwezigheid van kenmerken van een andere psychische stoornis, inclusief angst, vrees, en vermijding van situaties bij paniekachtige symptomen of andere symptomen die het functioneren belemmeren (zoals bij agorafobie); objecten of situaties die met obsessies te maken hebben (zoals bij de obsessieve-compulsieve stoornis); zaken die iemand herinneren aan psychotraumatische gebeurtenissen (zoals bij de posttraumatische-stressstoornis); scheiding van thuis of van hechtingspersonen (zoals bij de separatieangststoornis); of sociale situaties (zoals bij de sociale-angststoornis).
Veel stoornissen worden gekenmerkt door vermijding (bijvoorbeeld de obsessieve-compulsieve stoornis of agorafobie). De classificatie specifieke fobie moet alleen worden toegekend wanneer deze vermijding samenhangt met een object of situatie en niet verklaard kan worden door een andere stoornis.
→Specificeer indien:
Dier (bijvoorbeeld spinnen, insecten, honden).
Natuurlijke omgeving (zoals hoogtes, stormen, water).
Bloed-injecties-verwonding (zoals naalden, invasieve medische procedures).
Situationeel (bijvoorbeeld vliegtuigen, liften, afgesloten ruimtes).
Overige (bijvoorbeeld situaties die kunnen leiden tot zich verslikken of braken; en bij kinderen bijvoorbeeld harde geluiden of gekostumeerde personen).
Coderingsaanwijzing De code F40.2 geldt voor alle specificaties. Wanneer er sprake is van meer dan één fobische stimulus, noteer dan alle toepasselijke specificaties (bijvoorbeeld angst voor slangen en vliegen: specifieke fobie, dier; specifieke fobie, situationeel).
De specificaties zijn gebaseerd op de algemene categorieën van fobische stimuli. In de DSM-5 is de verwijzing naar de vrees om een ziekte op te lopen in de categorie ‘overige’ verwijderd, vanwege de verwantschap met de obsessieve-compulsieve stoornis en hypochondrie (die in de DSM-5 is vervangen door de somatisch-symptoomstoornis en, in een minderheid van de gevallen, de ziekteangststoornis).