Temperament Risicofactoren in het temperament voor de specifieke fobie, zoals negatieve affectiviteit (neuroticisme) of ge­drags­in­hi­bi­tie, zijn ook risicofactoren voor andere angst­stoor­nis­sen.

Omgeving Risicofactoren in de omgeving voor specifieke fobieën, zoals het hebben van overbezorgde ouders, het verlies van een ouder of gescheiden worden van een ouder, lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik, zijn ook voorspellers van andere angst­stoor­nis­sen. Zoals in het voorgaande al werd opgemerkt, gaat er soms (maar niet altijd) een negatieve of traumatiserende ontmoeting met het gevreesde object of de gevreesde situatie vooraf aan het ontstaan van een specifieke fobie.

Genetica en fysiologie Mogelijk bestaat er een genetische kwetsbaarheid voor een specifieke fobie van een bepaalde categorie (iemand die een eer­ste­graads­fa­mi­lie­lid heeft met een specifieke fobie voor dieren heeft bijvoorbeeld een significant grotere kans om dezelfde soort specifieke fobie te krijgen dan om een specifieke fobie van een ander type te ontwikkelen). Twee­ling­on­der­zoe­ken waarin de mate van erfelijkheid van de afzonderlijke subtypen van vrees en fobieën werd onderzocht, wijzen erop dat de mate van erfelijkheid ongeveer 32% bedraagt voor de fobie ‘dier’, 33% voor de fobie ‘bloed-injecties-verwonding’, en 25% voor de fobie ‘situationeel’.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.