Het beloop van de co­ör­di­na­tie­ont­wik­ke­lings­stoor­nis is wisselend, maar is minstens tot één en twee jaar follow-up stabiel. Hoewel er op de langere termijn verbetering kan optreden, houden de problemen die met de co­ör­di­na­tie­ont­wik­ke­lings­stoor­nis samenhangen bij ongeveer 50 tot 70% van de kinderen aan tot in de adolescentie. De stoornis begint in de vroege kindertijd. Een vertraagde motorische ontwikkeling kan de eerste aanwijzing zijn. De stoornis kan ook voor het eerst worden herkend als het kind dingen probeert te doen als eten met mes en vork, knopen dichtdoen of balspellen spelen. Later in de kindertijd zijn er moeilijkheden met de motorische aspecten van legpuzzels maken, modellen bouwen, balspellen spelen en schrijven, en met het organiseren van spullen, waarvoor opeenvolgende motorische bewegingen en coördinatie noodzakelijk zijn. In de vroege volwassenheid zijn er aanhoudende moeilijkheden met het leren van nieuwe taken waarbij complexe en/of automatische motorische vaardigheden nodig zijn, waaronder autorijden en gereedschap gebruiken. Als notities maken en snel schrijven moeilijk zijn, kunnen de prestaties op het werk daaronder lijden. De combinatie met andere stoornissen (zie de subparagraaf ‘Comorbiditeit’ bij deze stoornis) heeft ook invloed op het klinische beeld, het beloop en de uitkomst.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.