Dissociatieve amnesie Zowel DIS als dissociatieve amnesie wordt gekenmerkt door hiaten in het herinneren van alledaagse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en/of psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen, inconsistent met gewone ver­geet­ach­tig­heid. DIS onderscheidt zich van dissociatieve amnesie doordat hierbij ook aanhoudende perioden van stoornissen in de identiteit optreden, die worden gekenmerkt door meerdere afzonderlijke per­soon­lijk­heids­toe­stan­den.

De­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis Het hoofdkenmerk van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis is de aanwezigheid van persisterende of recidiverende ervaringen van de­per­so­na­li­sa­tie, derealisatie, of beide. Mensen met een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis ervaren geen per­soon­lijk­heids- of iden­ti­teits­toe­stan­den met veranderingen in de zelfbeleving en de zelfcontrole, en ook geen dissociatieve amnesie.

Depressieve stoornis De meeste mensen met DIS bevestigen dat zij heel hun leven, vaak al vanaf de kindertijd, in een negatieve post-traumatische emotionele toestand verkeren, en hun symptomen lijken te voldoen aan de criteria voor een depressieve episode. Bovendien is er sprake van post­trau­ma­ti­sche reacties op de periode van het jaar waarin het psychotrauma gebeurde (jaarlijks terugkerende reacties) en die zich manifesteren als neer­slach­tig­heid, gestrest zijn en su­ï­ci­de­ge­dach­ten, en een depressieve stoornis met sei­zoens­ge­bon­den patroon. Mensen met een depressieve stoornis of een persisterende depressieve stoornis hebben echter geen dissociatieve fluctuaties in de zelfbeleving en de zelfcontrole, en ook geen dissociatieve amnesie. Het is van belang om te beoordelen of deze negatieve stemmingen door de meeste iden­ti­teits­toe­stan­den worden ervaren, aangezien de stem­mings­symp­to­men kunnen wisselen doordat ze wel in sommige iden­ti­teits­toe­stan­den worden ervaren, maar niet in andere.

Bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen Mensen met DIS krijgen vaak ten onrechte een classificatie bipolaire-stem­mings­stoor­nis toegekend, meestal een bipolaire-II-stoornis met gemengde kenmerken. De relatief snelle wisselingen in de stemming bij mensen met deze stoornis — meestal binnen minuten tot uren — zijn zelfs voor mensen met de snelst wisselende bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen (die met rapid cycling) atypisch. Deze veranderingen in de toestand van de betrokkene worden veroorzaakt door de wisselende dissociatieve toestanden en/of fluctuerende post­trau­ma­ti­sche intrusies. Soms gaan deze wisselingen gepaard met snelle veranderingen in het ac­ti­vi­teits­ni­veau, maar deze duren gewoonlijk minuten tot uren, geen dagen, en ze vallen samen met de activering van specifieke iden­ti­teits­toe­stan­den. Een verhoogde of verlaagde stemming kan, door overlappings- of in­ter­fe­ren­tie­fe­no­me­nen, worden ervaren als horend bij een specifieke identiteit. Mensen met DIS vertonen doorgaans geen klassieke ‘bipolaire’ slaap­stoor­nis­sen (zoals een verminderde behoefte aan slaap), maar ervaren juist chronische, hevige nachtmerries en nachtelijke flashbacks die de slaap verstoren.

Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis De meeste mensen met DIS hebben symptomen die voldoen aan de criteria voor een post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis (PTSS). De voor DIS kenmerkende dissociatieve symptomen moeten worden ge­dif­fe­ren­ti­eerd van: dissociatieve amnesie, dissociatieve flashbacks en de­per­so­na­li­sa­tie/derealisatie, die kenmerkend zijn voor de acute stressstoornis, PTSS of het dissociatieve subtype van PTSS. Dissociatieve amnesie bij PTSS manifesteert zich doorgaans alleen voor specifieke traumatiserende gebeurtenissen of voor aspecten van traumatiserende gebeurtenissen; dit in tegenstelling tot de chronische, complexe kenmerken van dissociatieve amnesie bij DIS. De de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men van het dissociatieve subtype van PTSS houden verband met zaken die iemand herinneren aan een specifieke traumatiserende gebeurtenis. De de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men bij DIS treden niet uitsluitend op in reactie op zaken die iemand herinneren aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis, maar zijn doorlopend in het dagelijks leven aanwezig, treden ook op in reactie op stressvolle interacties met anderen, en wanneer er overlapping/interferentie bestaat tussen de iden­ti­teits­toe­stan­den.

Schi­zo­fre­nies­pec­trum- en andere psychotische stoornissen Mensen met DIS kunnen symptomen ervaren die lijken op die van een psychotische stoornis. Daarbij gaat het ook om auditieve hallucinaties en symptomen die kenmerkend zijn voor intrusies van per­soon­lijk­heids­toe­stan­den in het bewustzijn van de betrokkene; deze symptomen kunnen gelijkenissen vertonen met sommige schnei­der­symp­to­men van de eerste orde die formeel een indicator zijn voor schizofrenie (zoals gedachte-uitzending, gedachte-inbrenging, ge­dach­te­ont­trek­king en/of stemmen horen die voortdurend commentaar leveren op de betrokkene). Als de betrokkene verschillende per­soon­lijk­heids­toe­stan­den over hem of haar hoort praten, kan dit lijken op auditieve hallucinaties van ruziënde stemmen bij schizofrenie. Ook kan iemand met DIS gedachten of emoties ervaren van een intrusieve per­soon­lijk­heids­toe­stand, wat kan lijken op gedachte-inbrenging bij schizofrenie. De ervaring dat deze gedachten of emoties plotseling verdwijnen kan lijken op ge­dach­te­ont­trek­king. Dergelijke ervaringen gaan bij mensen met schizofrenie meestal gepaard met paranoïsche (waan)overtuigingen over de oorzaak van deze symptomen (bijvoorbeeld gedachten die worden ingebracht door een macht van buitenaf), terwijl mensen met DIS de symptomen doorgaans als egodystoon en beangstigend ervaren. Bovendien kunnen mensen met DIS rapporteren dat zij verscheidene visuele, tactiele, olfactorische, gustatorische en somatische hallucinaties hebben, die meestal samenhangen met autohypnotische, post-traumatische en dissociatieve factoren, zoals partiële flashbacks; dit in tegenstelling tot mensen met schizofrenie, die hoofdzakelijk auditieve hallucinaties ervaren en minder vaak visuele. Differentiatie tussen DIS en psychotische stoornissen is meestal gebaseerd op symptomen die kenmerkend zijn voor de ene classificatie en niet voor de andere (zo is dissociatieve amnesie kenmerkend voor DIS en niet voor psychotische stoornissen). Mensen met schizofrenie hebben een lage hyp­no­ti­seer­baar­heid, terwijl mensen met DIS juist van alle groepen de hoogste hyp­no­ti­seer­baar­heid vertonen.

Stoornis door een middel/medicatie Mensen met DIS hebben vaak een actuele stoornis in het gebruik van een middel of hebben deze in hun anamnese. Het is belangrijk symptomen die samengaan met de fysiologische effecten van een middel (zoals black-outs) te onderscheiden van dissociatieve amnesie bij DIS wanneer vastgesteld wordt dat het betreffende middel etiologisch gerelateerd is aan geheugenverlies.

Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen Mensen met DIS vertonen vaak identiteiten die verschillende ernstige kenmerken van de per­soon­lijk­heids­stoor­nis lijken te omvatten, hetgeen de differentiële diagnostiek van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis kan suggereren, in het bijzonder het borderlinetype. Het is echter belangrijk om erop te wijzen dat de longitudinale variatie in per­soon­lijk­heids­stij­len van de betrokkene (toe te schrijven aan een inconsistentie van verschillende per­soon­lijk­heids­toe­stan­den) verschilt van de pervasieve en persisterende disfunctie van de emotieregulatie en de in­ter­per­soon­lij­ke relaties die typerend zijn voor mensen met per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen.

Post­trau­ma­ti­sche amnesie als gevolg van hersenletsel Hiaten in het geheugen komen zowel bij DIS als bij traumatisch hersenletsel voor. Andere kenmerken van traumatisch hersenletsel zijn bewusteloosheid, desoriëntatie en verwardheid of, in ernstiger gevallen, neurologische klachten en verschijnselen. Een neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel manifesteert zich ofwel onmiddellijk na een hersenletsel of onmiddellijk nadat de betrokkene na een ongeval weer bij bewustzijn is gekomen, en persisteert ook na de acute periode van het letsel. Het cognitieve beeld van een neurocognitieve stoornis na traumatisch hersenletsel is divers en omvat problemen in de domeinen van de complexe aandacht, de executieve functies, het leren en het geheugen, naast een vertraagde in­for­ma­tie­ver­wer­king en verstoorde sociaal-cognitieve vaardigheden. Hoewel de­per­so­na­li­sa­tie na traumatisch hersenletsel niet ongewoon is, kunnen de voornoemde neurocognitieve kenmerken de differentiatie tussen traumatisch hersenletsel en dissociatieve amnesie horend bij DIS ondersteunen. Bovendien gaat dissociatieve amnesie in de context van DIS gepaard met opvallende dis­con­ti­nu­ï­tei­ten in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole, die beide geen kenmerken zijn van traumatisch hersenletsel.

Functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis (con­ver­sie­stoor­nis) De functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis kan van DIS onderscheiden worden door de afwezigheid van een iden­ti­teits­ver­an­de­ring gekenmerkt door twee of meer identiteiten of een ervaring van bezetenheid. Dissociatieve amnesie bij de func­ti­o­neelneu­ro­lo­gisch-symp­toom­stoor­nis is meer beperkt en begrensd van aard (bijvoorbeeld een amnesie voor een niet-epileptische convulsie).

Nagebootste stoornis en simulatie Mensen die een dissociatieve iden­ti­teits­stoor­nis simuleren, rapporteren doorgaans niet de subtiele in­tru­sie­symp­to­men die kenmerkend zijn voor de stoornis. In plaats daarvan beschrijven ze te veel van de uit de media bekende symptomen van de stoornis, zoals dramatische dissociatieve amnesie of melodramatische per­soon­lijk­heids­wis­se­lin­gen, terwijl ze te weinig minder bekende comorbide symptomen rapporteren, zoals depressiviteit. Mensen die DIS simuleren zijn vaak minder ontregeld door de stoornis of lijken het zelfs fijn te vinden dat ze de stoornis ‘hebben’, of kunnen hun behandelaar vragen om ‘op zoek te gaan naar’ psy­cho­trau­ma­ti­sche herinneringen. De meeste mensen die daadwerkelijk DIS hebben, voelen juist schaamte en zijn overweldigd door de symptomen, ontkennen de stoornis, bevestigen niet alle symptomen (volledig), en bagatelliseren hun psy­cho­trau­ma­ge­schie­de­nis of gaan deze uit de weg.

Mensen die de symptomen van DIS simuleren, scheppen vaak beperkte, stereotiepe, elkaar afwisselende identiteiten, met gesimuleerde amnesie die enkel samenhangt met de gebeurtenissen die hun iets positiefs moeten opleveren, waarbij het schijnbare switchen tussen per­soon­lijk­heids­toe­stan­den en de amnesie alleen wordt vertoond tijdens observatie. Zo kunnen ze bijvoorbeeld een ‘ontzettend goede’ en een ‘heel slechte’ identiteit tonen, in de hoop dat ze vrijspraak krijgen voor een misdaad.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.