Het definiërende kenmerk van de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) is de aanwezigheid van twee of meer afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden of de ervaring van bezetenheid (criterium A). Of deze persoonlijkheidstoestanden openlijk of verhuld zijn, hangt onder andere af van de psychische motivatie, het actuele stressniveau, de culturele context, innerlijke conflicten en dynamiek, en emotionele veerkracht. Aanhoudende perioden van identiteitsverwarring of -veranderingen kunnen optreden wanneer de psychosociale druk groot is of lang aanhoudt. Bij de gevallen van DIS waarin de betrokkene zich presenteert als bezeten door externe identiteiten, bijvoorbeeld geesten of demonen (bezetenheidsvariant van DIS), en in sommige gevallen van de niet-bezetenheidsvariant, manifesteren de wisselende identiteiten zich dikwijls overduidelijk. Echter, de meeste mensen met een niet-bezetenheidsvariant tonen de discontinuïteit van hun identiteit gedurende lange tijd niet openlijk. Slechts een kleine minderheid laat in de behandelsetting een waarneembare wisseling van identiteiten zien. De ontwikkeling van dissociatieve persoonlijkheidstoestanden met verschillende namen, kledingstijlen, handschriften, accenten enzovoort, komt slechts bij een minderheid van de mensen met een niet-bezetenheidsvariant van DIS voor, en is voor het toekennen van de classificatie niet essentieel. Wanneer wisselende persoonlijkheidstoestanden niet direct kunnen worden waargenomen, kan de aanwezigheid van afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden vastgesteld worden aan de hand van twee clusters van symptomen: plotselinge wisselingen of discontinuïteiten in de zelfbeleving en het ervaren van zelfcontrole (criterium A), en herhaalde dissociatieve amnesie (criterium B).
De symptomen in criterium A hebben betrekking op discontinuïteiten in de ervaring die elk aspect van het functioneren van de betrokkene kunnen beïnvloeden. Mensen met DIS kunnen aangeven het gevoel te hebben dat ze plotseling gedepersonaliseerde waarnemers van hun ‘eigen’ spraakuitingen en handelingen zijn geworden. Deze mensen kunnen ook aangeven dat ze stemmen waarnemen (zoals de stem van een kind; stemmen die commentaar geven op de gedachten of het gedrag van de betrokkene, bedreigende stemmen of bevelshallucinaties). In sommige gevallen ontkent de betrokkene stemmen te horen, maar rapporteert deze meervoudige, verwarrende, onafhankelijke gedachtestromen waarover de persoon geen controle heeft. Mensen met DIS kunnen hallucinaties in alle zintuiglijke modaliteiten rapporteren: auditieve, visuele, tactiele, olfactorische en gustatorische.
Soms komen sterke emoties, impulsen en zelfs spraakuitingen of andere handelingen naar boven, zonder dat de persoon het gevoel heeft er persoonlijke zeggenschap of controle over te hebben (zonder gevoel van zelfcontrole). Omgekeerd kunnen gedachten of emoties ook onverwacht en plotseling verdwijnen, waarbij het spreken en het handelen abrupt worden geremd. Deze ervaringen worden vaak beschreven als egodystoon en verwarrend. Zienswijzen, opvattingen en persoonlijke voorkeuren (bijvoorbeeld met betrekking tot voedsel, activiteiten, genderidentiteit) kunnen plotseling veranderen. Ook rapporteren betrokkenen dat hun lichaam anders aanvoelt (bijvoorbeeld als dat van een klein kind; als dat van het andere geslacht; gelijktijdig van verschillende leeftijden). Veranderingen in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole kunnen samengaan met een gevoel dat deze standpunten, emoties en gedragingen — zelfs het eigen lichaam — niet ‘van mij’ zijn en/of ‘niet onder mijn controle’ staan. Hoewel de meeste symptomen in criterium A subjectief van aard zijn, kunnen familie, vrienden of de clinicus veel van deze plotselinge discontinuïteiten in spraakuitingen, affect en gedrag waarnemen.
Bij de meeste mensen met DIS gebeurt het switchen tussen persoonlijkheidstoestanden op subtiele wijze; er zijn dan alleen subtiele veranderingen in de zichtbare presentatie waarneembaar. Bij de bezetenheidsvariant van DIS kan het switchen van persoonlijkheidstoestanden duidelijker zichtbaar zijn. Over het algemeen hebben mensen met DIS de ervaring dat zij meervoudige, gelijktijdig overlappende en onderling interfererende persoonlijkheidstoestanden hebben.
Dissociatieve amnesie (criterium B) manifesteert zich in meerdere belangrijke domeinen, namelijk als: (1) hiaten in alle aspecten van het autobiografische geheugen (bijvoorbeeld belangrijke gebeurtenissen zoals trouwen of bevallen van een kind, geen schoolherinneringen hebben van vóór de middelbare school); (2) hiaten in herinneringen van recente gebeurtenissen of goed aangeleerde vaardigheden (bijvoorbeeld hoe je je werk moet doen, een computer gebruikt, kookt of autorijdt); en (3) het ontdekken van voorwerpen waarvan de betrokkene zich niet kan herinneren dat hij of zij deze bezit (bijvoorbeeld kleding, wapens, gereedschap, geschreven tekst of tekeningen die van zijn of haar hand moeten zijn). Dissociatieve fugues, met amnesie voor het reizen, komen vaak voor. Zo kunnen mensen rapporteren dat ze plotseling merkten dat ze zich in een andere stad, op het werk of zelfs thuis bevonden: in een kast, onder het bed of naar buiten rennend. Amnesie bij mensen met DIS beperkt zich niet tot stressvolle of traumatiserende gebeurtenissen; het kan ook gebeuren dat zij zich alledaagse gebeurtenissen niet meer herinneren. Mensen kunnen flinke hiaten in hun geheugen rapporteren (bijvoorbeeld ‘tijd kwijt zijn’, ‘black-outs’, of ‘weer bijkomen’ terwijl zij iets aan het doen zijn). Dissociatieve amnesie kan voor anderen waarneembaar zijn (betrokkenen herinneren zich bijvoorbeeld niet wat anderen hen hebben zien doen of horen zeggen, kunnen zich hun eigen naam niet meer herinneren of herkennen hun partner, kinderen of goede vrienden niet meer). Het komt vaak voor dat betrokkenen de amnesie bagatelliseren of rationaliseren.
Identiteiten die bezit hebben genomen van de betrokkene, manifesteren zich meestal in gedrag waarbij het lijkt alsof een ‘geest’, bovennatuurlijk wezen of buitenstaander de controle heeft overgenomen, waarbij de persoon op een andere wijze spreekt of zich anders gedraagt. Het gedrag van een betrokkene kan bijvoorbeeld de indruk wekken dat haar persoonlijkheid vervangen is door de ‘geest’ van een meisje uit de buurt dat jaren eerder door suïcide is overleden, waarbij de betrokkene spreekt en handelt alsof het meisje nog steeds in leven is. De persoonlijkheden die opkomen bij DIS gepaard gaand met bezetenheid presenteren zich herhaaldelijk, zijn ongewenst en onwillekeurig, en veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen (criterium C). De meeste bezetenheidstoestanden die wereldwijd optreden, maken echter deel uit van breed geaccepteerde culturele of religieuze gebruiken en voldoen om die reden niet aan de criteria voor DIS (criterium D).