F44.8
CLASSIFICATIECRITERIA
AFragmentatie van de identiteit gekenmerkt door twee of meer afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden, wat in sommige culturen als een ervaring van bezetenheid wordt aangemerkt. De fragmentatie van de identiteit omvat een duidelijke discontinuïteit in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole, gepaard gaand met ermee samenhangende veranderingen in affect, gedrag, bewustzijn, geheugen, waarneming, cognitie en/of sensomotorisch functioneren. Deze klachten en verschijnselen kunnen door anderen waargenomen zijn, of door de betrokkene zelf gerapporteerd worden.
Dit criterium is herzien om specifieker te beschrijven hoe de stoornis het functioneren van de betrokkene verstoort. De formulering is veranderd om recht te doen aan een duidelijke discontinuïteit in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole. Volgens de DSM-IV waren twee of meer verschillende ‘identiteiten of persoonlijkheidstoestanden’ vereist, maar het onderscheid tussen ‘identiteit’ en ‘persoonlijkheidstoestand’ is nooit duidelijk geweest. Evenmin was duidelijk dat bij de wisselingen sprake moest zijn van een duidelijk verschil met het normale denken en gedrag van de betrokkene. Deze veranderingen kunnen worden waargenomen door anderen of worden gemeld door de betrokkene (in de DSM-IV bleef dit onuitgesproken). Ook is het concept van bezetenheid toegevoegd (dit was niet vermeld in de DSM-IV).
BRecidiverende hiaten in het herinneren van alledaagse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en/of psychotraumatische gebeurtenissen die inconsistent zijn met gewone vergeetachtigheid.
Volgens DSM-IV-criterium C betreffen de hiaten in de herinneringen ‘belangrijke persoonlijke gegevens’. De DSM-5 biedt clinici een beter handvat met betrekking tot geheugenverlies, namelijk ‘hiaten in het herinneren van alledaagse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en/of psychotraumatische gebeurtenissen’. Het is duidelijk dat de hiaten in het geheugen zich bij de dissociatieve identiteitsstoornis voordoen wanneer een of meer van de alters de controle van de executieve functies van de betrokkene overneemt, en de betrokkene meldt dat hij of zij ‘een stukje tijd kwijt is’. De kwaliteit en de omvang van het geheugenverlies komen niet overeen met gewone vergeetachtigheid. Zo kan een betrokkene melden dat het hem of haar niet lukt om zich iets van de laatste twee dagen te herinneren, terwijl hij of zij zich de gebeurtenissen die onmiddellijk voor en na de periode van amnesie plaatsvonden prima kan herinneren.
CDe symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
In dit criterium, dat nieuw is in de DSM-5, wordt onderkend dat de dissociatieve identiteitsstoornis significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaakt in het functioneren in belangrijke levensdomeinen. Symptomen worden bewust meegemaakt en zijn vaak zeer verontrustend voor de betrokkene, wat gezien kan worden als een intrusie van een alter in het bewuste functioneren. Wanneer dit gebeurt, is de zelfbeleving van de betrokkene verstoord. Er kan sprake zijn van verlies van het gevoel van controle over de spraak en handelingen; van stemmen die in het bewustzijn binnendringen; en van plotseling ontstane sterke emoties en impulsen. Mensen met DIS kunnen zich gedepersonaliseerde waarnemers van hun eigen handelingen voelen, waarbij zij het gevoel hebben die niet te kunnen stoppen. Het lichaam van de betrokkene kan plotseling heel anders aanvoelen, bijvoorbeeld als dat van een klein kind of iemand van het andere gender, en al deze veranderingen in de zelfbeleving en het verlies van zelfcontrole kunnen gepaard gaan met gevoelens die de betrokkene niet als ‘eigen’ herkent. Deze veranderingen kunnen zeer verontrustend zijn en bij veel mensen zullen deze symptomen een negatieve invloed uitoefenen op (partner)relaties, het ouderschap en het werk.
DDe stoornis maakt geen deel uit van een algemeen geaccepteerd cultureel of religieus gebruik. NB Bij kinderen kunnen de symptomen niet beter worden verklaard door denkbeeldige vriendjes of andere fantasiespelletjes.
Dit criterium stelt dat culturele en religieuze gebruiken die (doelbewust) leiden tot dissociatieve ervaringen als verklaring voor de stoornis moeten worden uitgesloten. Sommige volkeren geloven in het concept van bezetenheid door een geest. Deze overtuigingen zijn niet ongewoon in niet-westerse samenlevingen, maar ze kunnen ook worden gevonden bij bepaalde religieuze groepen in de Verenigde Staten en elders. In deze situaties kunnen alters zich als geesten, demonen, dieren of mythische figuren voordoen.
EDe symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals black-outs of chaotisch gedrag tijdens een intoxicatie door alcohol) of aan een somatische aandoening (zoals complexe partiële convulsies).
In dit criterium wordt onderkend dat middelen of somatische aandoeningen kunnen samenhangen met dissociatie en derhalve moeten worden uitgesloten. Zo kunnen hallucinogenen en fencyclidine (PCP) dissociatieachtige ervaringen induceren. Van hersentumoren en convulsiestoornissen (bijvoorbeeld complexe partiële convulsies) is bekend dat ze dissociatieve toestanden kunnen veroorzaken. Deze aandoeningen moeten daarom als onderdeel van een somatisch onderzoek worden uitgesloten.