Delirium

Delirium

CLASSIFICATIECRITERIA

  1. Een stoornis in de aandacht (een verminderd vermogen om de aandacht te sturen, te richten, vast te houden en te verplaatsen), samengaand met een verlaagd bewustzijn (verminderd besef van de omgeving).

Een delirium is een stoornis in het bewustzijn en de aandacht, gekenmerkt door een acuut of subacuut begin van de cognitieve veranderingen. Het gebrek aan besef van de betrokkene van zijn of haar omgeving en het onvermogen om daar adequaat op te reageren, kunnen worden aangetoond aan de hand van problemen met het richten of volhouden van de aandacht, een duidelijke desoriëntatie in vertrouwde settings en vertraagde reacties.

  1. De stoornis ontwikkelt zich in korte tijd (meestal binnen een aantal uren of dagen), betreft een verandering in het premorbide niveau van bewustzijn en aandacht, en heeft de neiging in de loop van de dag in ernst te fluctueren.

Het beloop van een delirium is gewoonlijk kort, namelijk enkele uren of een paar dagen. Het delirium verdwijnt meestal nadat de onderliggende oorzaak is vastgesteld en met succes is behandeld.

  1. ​​​​​Een bijkomende stoornis in de cognitieve functies (bijvoorbeeld in geheugen, oriëntatie, taal, visuospatiële functies of waarneming).

Meestal heeft de betrokkene problemen met het geheugen, de oriëntatie en het spreken. Andere symptomen van een delirium zijn visuospatiële beperkingen en beperkingen in de executieve functies.

  1. De symptomen in criteria A en C kunnen niet beter worden verklaard door een andere al bestaande, vastgestelde of zich ontwikkelende neurocognitieve stoornis en doen zich niet voor in de context van een ernstig gedaald bewustzijn, zoals een coma.

In de DSM-5 is een verduidelijking toegevoegd, namelijk dat de cognitieve veranderingen niet beter verklaard kunnen worden door een reeds bestaande neurocognitieve stoornis. In de context van een ernstig gedaald bewustzijn, zoals bij een coma, kunnen de oriëntatie, de aandacht en het cognitieve functioneren niet goed worden beoordeeld.

  1. Er zijn aanwijzingen vanuit anamnese, lichamelijk onderzoek of la­bo­ra­to­ri­um­uit­sla­gen dat de stoornis het directe pa­tho­fy­si­o­lo­gi­sche gevolg is van een somatische aandoening, intoxicatie door of onttrekking van een middel (zoals een drug of medicatie), of blootstelling aan een giftige stof, of het gevolg is van multipele oorzaken.

Dit criterium vereist dat de stoornis in het bewustzijn en de aandacht een direct fysiologisch gevolg is van een somatische aandoening, de intoxicatie door of onttrekking van een middel, of de blootstelling aan een toxine, of dat deze meerdere oorzaken heeft.

Specificeer indien:
Acuut Een duur van een paar uur of enkele dagen.
Persisterend Een duur van weken of maanden.

Verschillende subtypen van delirium zijn gerelateerd aan de etiologie. Twee subtypen geven aan of het delirium veroorzaakt wordt door de intoxicatie door of onttrekking van een middel. Deze classificaties moeten worden toegekend in plaats van intoxicatie door of onttrekking van een middel wanneer de symptomen in criteria A en C in het klinische beeld overheersen en voldoende ernstig zijn om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen. Een delirium door intoxicatie door of onttrekking van een middel vereist, naast de stan­daard­cri­te­ria voor een delirium, dat het delirium tijdens of na de intoxicatie of onttrekking is ontstaan en dat het betreffende middel in staat is om het delirium te veroorzaken.

De volgende klassen van middelen kunnen leiden tot een delirium door intoxicatie door een middel: alcohol, cannabis, fencyclidine en andere hallucinogenen, stimulantia, inhalantia, opioïden, en hypnotica en anxiolytica. Een delirium kan ook optreden tijdens de onttrekking van alcohol, opioïden of hypnotica/anxiolytica. Ook andere (of onbekende) middelen kunnen worden gespecificeerd.

Een ander mogelijk subtype is het delirium door medicatie. Zelfs in afwezigheid van intoxicatie of onttrekking kunnen enkele geneesmiddelen en toxinen (bijvoorbeeld benzatropine of dexamethason) tot een delirium leiden.

Andere subtypen geven aan of het delirium veroorzaakt wordt door een somatische aandoening (bijvoorbeeld hepatische encefalopathie) of meerdere oorzaken heeft (bijvoorbeeld hepatische encefalopathie plus al­co­ho­lont­trek­king) — het subtype delirium door multipele oorzaken.

Ten slotte zijn er specificaties opgenomen om aan te geven of het delirium acuut (met een duur van enkele uren tot enkele dagen) of persisterend is (met een duur van weken of maanden) en of het delirium leidt tot hyperactieve psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit (vaak gepaard gaand met een labiel affect, agitatie en/of weigering om mee te werken aan de behandeling), hypoactieve psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit (vaak gepaard gaand met een traagheid en lethargie die bijna stuporeus is), of een gemengd ac­ti­vi­teits­ni­veau (een normaal niveau van psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit, ondanks stoornissen in de aandacht en het bewustzijn; hieronder vallen ook mensen met een snel wisselend ac­ti­vi­teits­ni­veau). Mensen met een delirium kunnen snel wisselen tussen hyperactieve en hypoactieve toestanden. De hyperactieve toestand komt waarschijnlijk vaker voor of wordt vaker herkend, en hangt meestal samen met bijwerkingen van medicijnen en de onttrekking van middelen. De hypoactieve toestand komt waarschijnlijk vaker voor bij oudere volwassenen.

Specificeer indien:

Hyperactief De mate van psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit van de betrokkene is hyperactief en kan samengaan met stem­mingsla­bi­li­teit, verhoogde alertheid, agitatie en/of weigering om aan de behandeling mee te werken.

Hypoactief De mate van psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit van de betrokkene is hypoactief en kan samengaan met verminderde alertheid, traagheid en lethargie die bijna stuporeus is.

Gemengd ac­ti­vi­teits­ni­veau De mate van psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit van de betrokkene fluctueert snel. Hieronder vallen ook mensen bij wie het ac­ti­vi­teits­ni­veau normaal is, ook al zijn het bewustzijn en de aandacht gestoord.

Verschillende subtypen van delirium zijn gerelateerd aan de etiologie. Twee subtypen geven aan of het delirium veroorzaakt wordt door de intoxicatie door of onttrekking van een middel. Deze classificaties moeten worden toegekend in plaats van intoxicatie door of onttrekking van een middel wanneer de symptomen in criteria A en C in het klinische beeld overheersen en voldoende ernstig zijn om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen. Een delirium door intoxicatie door of onttrekking van een middel vereist, naast de stan­daard­cri­te­ria voor een delirium, dat het delirium tijdens of na de intoxicatie of onttrekking is ontstaan en dat het betreffende middel in staat is om het delirium te veroorzaken.

De volgende klassen van middelen kunnen leiden tot een delirium door intoxicatie door een middel: alcohol, cannabis, fencyclidine en andere hallucinogenen, stimulantia, inhalantia, opioïden, en hypnotica en anxiolytica. Een delirium kan ook optreden tijdens de onttrekking van alcohol, opioïden of hypnotica/anxiolytica. Ook andere (of onbekende) middelen kunnen worden gespecificeerd.

Een ander mogelijk subtype is het delirium door medicatie. Zelfs in afwezigheid van intoxicatie of onttrekking kunnen enkele geneesmiddelen en toxinen (bijvoorbeeld benzatropine of dexamethason) tot een delirium leiden.

Andere subtypen geven aan of het delirium veroorzaakt wordt door een somatische aandoening (bijvoorbeeld hepatische encefalopathie) of meerdere oorzaken heeft (bijvoorbeeld hepatische encefalopathie plus al­co­ho­lont­trek­king) — het subtype delirium door multipele oorzaken.

Ten slotte zijn er specificaties opgenomen om aan te geven of het delirium acuut (met een duur van enkele uren tot enkele dagen) of persisterend is (met een duur van weken of maanden) en of het delirium leidt tot hyperactieve psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit (vaak gepaard gaand met een labiel affect, agitatie en/of weigering om mee te werken aan de behandeling), hypoactieve psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit (vaak gepaard gaand met een traagheid en lethargie die bijna stuporeus is), of een gemengd ac­ti­vi­teits­ni­veau (een normaal niveau van psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit, ondanks stoornissen in de aandacht en het bewustzijn; hieronder vallen ook mensen met een snel wisselend ac­ti­vi­teits­ni­veau). Mensen met een delirium kunnen snel wisselen tussen hyperactieve en hypoactieve toestanden. De hyperactieve toestand komt waarschijnlijk vaker voor of wordt vaker herkend, en hangt meestal samen met bijwerkingen van medicijnen en de onttrekking van middelen. De hypoactieve toestand komt waarschijnlijk vaker voor bij oudere volwassenen.

Specificeer of:

Delirium door intoxicatie door een middel Deze classificatie moet worden toegekend in plaats van intoxicatie door een middel als de symptomen in de criteria A en C in het klinische beeld op de voorgrond staan en voldoende ernstig zijn om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen.
Co­de­rings­aan­wij­zing De ICD-10-codes voor het delirium door intoxicatie door een (genees)middel zijn weergegeven in de volgende tabel.

Delirium door intoxicatie doorICD-10
AlcoholF10.0
CannabisF12.0
FencyclidineF16.0
Ander hallucinogeenF16.0
InhalantiumF18.0
OpioïdeF11.0
Hypnoticum of anxiolyticumF13.0
Amfetamine (of ander stimulantium)F15.0
CocaïneF14.0
Een ander (of onbekend) middelF19.0

Delirium door onttrekking van een middel Deze classificatie moet worden toegekend in plaats van het ont­trek­kings­syn­droom van een middel als de symptomen in criteria A en C in het klinische beeld op de voorgrond staan en voldoende ernstig zijn om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen.
Co­de­rings­aan­wij­zing Codeer delirium door onttrekking van [specifiek middel]: F10.4 alcohol; F11.4 opioïde; F13.4 hypnoticum of anxiolyticum; F19.4 ander (of onbekend) middel.

F05.8

Delirium door medicatie Deze classificatie is van toepassing als de symptomen in criteria A en C zich voordoen als een bijwerking van medicatie die volgens voorschrift wordt ingenomen.

F05.8

Delirium door een somatische aandoening Er zijn aanwijzingen vanuit anamnese, lichamelijk onderzoek of la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoek dat de stoornis toegeschreven kan worden aan de fysiologische gevolgen van een somatische aandoening.
Co­de­rings­aan­wij­zing Voeg de naam van de somatische aandoening toe na de vermelding van het delirium (bijvoorbeeld: F05.8 delirium door hepatische encefalopathie).

F05.8

Delirium door multipele oorzaken Er zijn aanwijzingen vanuit anamnese, het lichamelijk onderzoek of la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoek dat het delirium meer dan één oorzaak heeft (bijvoorbeeld meer dan één veroorzakende somatische aandoening; een somatische aandoening plus intoxicatie door een middel of een bijwerking van medicatie).
Co­de­rings­aan­wij­zing Voeg extra codes toe voor de specifieke oorzaken van het delirium (bijvoorbeeld: F05.8 delirium door leverfalen; F10.4 delirium door al­co­ho­lont­trek­king).

Verschillende subtypen van delirium zijn gerelateerd aan de etiologie. Twee subtypen geven aan of het delirium veroorzaakt wordt door de intoxicatie door of onttrekking van een middel. Deze classificaties moeten worden toegekend in plaats van intoxicatie door of onttrekking van een middel wanneer de symptomen in criteria A en C in het klinische beeld overheersen en voldoende ernstig zijn om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen. Een delirium door intoxicatie door of onttrekking van een middel vereist, naast de stan­daard­cri­te­ria voor een delirium, dat het delirium tijdens of na de intoxicatie of onttrekking is ontstaan en dat het betreffende middel in staat is om het delirium te veroorzaken.

De volgende klassen van middelen kunnen leiden tot een delirium door intoxicatie door een middel: alcohol, cannabis, fencyclidine en andere hallucinogenen, stimulantia, inhalantia, opioïden, en hypnotica en anxiolytica. Een delirium kan ook optreden tijdens de onttrekking van alcohol, opioïden of hypnotica/anxiolytica. Ook andere (of onbekende) middelen kunnen worden gespecificeerd.

Een ander mogelijk subtype is het delirium door medicatie. Zelfs in afwezigheid van intoxicatie of onttrekking kunnen enkele geneesmiddelen en toxinen (bijvoorbeeld benzatropine of dexamethason) tot een delirium leiden.

Andere subtypen geven aan of het delirium veroorzaakt wordt door een somatische aandoening (bijvoorbeeld hepatische encefalopathie) of meerdere oorzaken heeft (bijvoorbeeld hepatische encefalopathie plus al­co­ho­lont­trek­king) — het subtype delirium door multipele oorzaken.

Ten slotte zijn er specificaties opgenomen om aan te geven of het delirium acuut (met een duur van enkele uren tot enkele dagen) of persisterend is (met een duur van weken of maanden) en of het delirium leidt tot hyperactieve psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit (vaak gepaard gaand met een labiel affect, agitatie en/of weigering om mee te werken aan de behandeling), hypoactieve psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit (vaak gepaard gaand met een traagheid en lethargie die bijna stuporeus is), of een gemengd ac­ti­vi­teits­ni­veau (een normaal niveau van psy­cho­mo­to­ri­sche activiteit, ondanks stoornissen in de aandacht en het bewustzijn; hieronder vallen ook mensen met een snel wisselend ac­ti­vi­teits­ni­veau). Mensen met een delirium kunnen snel wisselen tussen hyperactieve en hypoactieve toestanden. De hyperactieve toestand komt waarschijnlijk vaker voor of wordt vaker herkend, en hangt meestal samen met bijwerkingen van medicijnen en de onttrekking van middelen. De hypoactieve toestand komt waarschijnlijk vaker voor bij oudere volwassenen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.